De laatste keer had ik weinig te melden vanuit Portugal. Veel zee en plenty zon. Mooie stranden in het noorden. Alleen met vloed te betreden. Bij eb trekt de oceaan zich terug achter een barrière van rotsen. Af en toe is er een gaatje waar vroeger een vissershaventje was. Ten tijde dat men nog roeiend er op uit trok en bij terugkeer z’n bootje liet droogvallen. Daar is het dan ook stervens druk met badgasten. Desondanks ben ik er bijna een hele week gebleven. Na tienen ‘s-avonds was het er weer rustig en bleef je als enige over. Tenminste dat was de eerste paar dagen het geval. Daarna kon je goed merken dat de zomervakanties los gebarsten zijn. De een na de ander camper begon zich bij me te vervoegen. Tijd om eens wat verderop te gaan, richting Spanje. Ik kwam uit in Camposancos, iets ten zuiden van A Guarda.
Daar waar de Rio Miño -op de grens van Spanje en Portugal- zich met de Atlantische oceaan verenigt. Pal aan de kust was het ook hier een drukte van je welste. Maar nog geen 500 meter meer stroomopwaarts van de rivier dezelfde stranden en met minder wind op de koop toe. En bijna geen kip te bekennen. Moeilijk te vatten. Onthou overigens de naam van de rivier; ze bleek nog meer verrassingen in petto te hebben. Ik kwam een beetje onbedoeld hier terecht. Dat lag niet aan het mooie castro Santa Trega. Het weer sloeg om en dan kan je beter aan de kust zitten dan in het binnenland, bedacht ik me. Een beetje voortbordurend op mijn ervaringen in Haamstede. Waarom zou dat hier ook niet zo zijn? Bleek aardig te kloppen. De dagen begonnen telkens bewolkt en mistig. Maar tegen de middag klaarde het op en werd het heerlijk weer. Prima om me ‘s-ochtends aan mijn verslaving te kunnen overgeven, het invullen van KAKURO-puzzels. Een soort Sudoku, maar dan wat uitgebreider. Mijn niveau is bruine band, gemiddeld dus zoals de meeste van mijn kundes en kwaliteiten.
Spanjaarden en Portugezen hebben ongeveer hetzelfde leefpatroon. Of je ziet heel vroeg aantreden. Of pas tegen het eind van de middag tot een uur of 9/10 als de zon ter kimme neigt. Ik heb dan al lang m’n avondeten naar binnen. Van koken is deze reis overigens niet zo veel terecht gekomen. Uitgezonderd een paar keer nasi en bami. In Portugal was er een keur aan kant en klare kabeljauw-maaltijden te krijgen. En in Spanje eet je natuurlijk paella. Maar d’r is veel meer lekkers waar ik de naam niet van weet. Waaronder een soort platte koeken, gevuld met iets van kikkererwten(?) en vlees of vis. Zo tegen de tijd dat de stranden verlaten worden, begint mijn avondprogramma. Het (her)bekijken van allerlei TV-series, meestal policiers. Al verschillende reizen had ik de integrale doos DVD’s van La Piovra bij me. Durfde er nooit aan te beginnen, bang dat het enorm zou tegenvallen. La Piovra was een beroemde Italiaanse TV-serie uit de jaren 80/90 over de strijd tegen de maffia die bovenwereld was binnen gedrongen. Heeft meer dan 10 jaar gedraaid. Was toentertijd een sensatie; ik weet nog dat ik voor thuis bleef. Onbegrijpelijk, met de ogen van nu. Wat een draak. Andrea Camelleri, de schrijver van een groot aantal detectives met in de hoofdrol commissaris Montelbano, trok me over de streep. Hij is een van scenaristen geweest. Ik begrijp niet hoe ze hem hiervoor hebben weten te strikken. De lichtvoetigheid van Montelbano versus het noodlotsverhaal van een koene, eenzame ridder. Moet nog bijna 50 afleveringen…
Bij het vertrek uit Camposancos had ik echt het gevoel aan de terugweg begonnen te zijn. Had een route uitgestippeld van telkens ongeveer 100 km naar de Pyreneeën. Hoppend van castro naar castro.
Bij de eerste de beste tussenstop viel ik al met m’n neus in de boter. Had een overnachtingsplekje op het oog aan de eerder genoemde Miño. Dat bleek niet meer en minder dan een soort thermen te wezen, met zwavelhoudend water in kleine bassins. Echt gezond en zo goed voor de huid. Helemaal gratis en voor niks. Tien kilometer verderop in Ourense maakten ze het nog gekker. Overal langs de rivier dezelfde voorzieningen maar dan met heet en warm water. Dag en nacht geopend!

Zelfs midden in de stad was er een, op de plek van een Romeins badhuis. Die kenden dit fenomeen dus ook al. Daar stond overigens wel wat tegenover. Het archeologisch museum in Ourense had er aan moeten geloven vanwege bezuinigingen. Brood en spelen…?
Inmiddels aangeland in Las Médulas. Nu een natuurpark. Maar het was de grootste goudmijn in Galicië ten tijden van de Romeinen. Hier werd op industriële schaal gewerkt. Bij gebrek aan buskruit zijn hele bergen opgeblazen met waterkracht. Van 60 km ver werd via uitgehakte kanalen/aquaducten water aangevoerd en verzameld in grote kunstmatige meren.
De op te blazen stuk berg werd vervolgens als een gatenkaas doorboord met een gangenstelsel. Hierin werd dat verzamelde water uitgestort. Met gevolg dat de rotswand het begaf en weg brak. Soms wel 100 meter hoog. Dat allemaal met het oogmerk om bij het erts houdende gesteente te kunnen komen, dat onder die lagen kalk- en zandsteen verborgen lag. Men schat dat al die moeite is gedaan om in totaal 6 à 7000 kilo goud te vergaren.
Wat rest is een fascinerend landschap. Je kan niet geloven dat het met mensenhanden is gemaakt. De natuur had het niet beter gekund.