Ben al weer een maand thuis. Telkens neem ik me voor nog verslag te doen van de laatste twee weken van mijn zeereis. Maar het komt er niet van. Reden: druk druk druk…
Bijvoorbeeld met het herinstalleren van 8 computers die ik gebruik op de basisschool om de hoek. Per apparaat kost je dat al gauw een uur of 4. Gelijk maar besloten afscheid te nemen van Windows XP; medio volgend jaar stopt Microsoft met verdere ondersteuning. Nog geen definitieve keuze voor een alternatief gemaakt. Op de ene helft staat nu Linux Mint en op de andere helft Xubuntu. Vorig jaar ben ik begonnen met een kursus computertechniek voor scholieren, in de groepen 5 t/m 8. Was een redelijk succes en voor herhaling vatbaar in het nieuwe schooljaar. Voor mijn vertrek naar Griekenland alles keurig opgeborgen. Helaas vergeten gebruikersnamen en wachtwoorden op te schrijven. Vandaar! Tijdens de kursus moeten de kinderen o.a. een PC demonteren en weer in elkaar zetten nadat ze op internet hebben opgezocht hoe de verschillende ‘organen’ uit het inwendige heten en wat de functie ervan is. Als nieuwigheidje voor dit jaar heb ik een quadcopter aangeschaft die via de computer met een joystick radiografisch bestuurd kan worden (http://www.bitcraze.se/2013/08/flying-the-crazyflie-with-leapmotion/).
Genoeg over het heden, terug naar het verleden. Ik lag nog in Dieppe gunstige wind af te wachten om naar Boulogne-sur-Mer te kunnen vertrekken. Tijd zat dus om het stadje rond te fietsen. Ook hier heeft de crisis z’n sporen achtergelaten. Het centrum ging wel maar net even daar buiten doodstille straatjes met leegstaande winkeltjes. De kerk uit eind 1300, gewijd aan de apostel Jacobus zit vol met prachtig, fijn beeldhouwwerk dat de tand des tijds maar moeilijk weet te doorstaan. Het lijkt wel of het langzaam aan het oplossen is. Het plaatselijke museum heeft een mooie collectie ivoren voorwerpen. Heel veel crucifixen en tabaksraspen. Dat laatste kennen we hier niet meer zo. Alhoewel in 1964 bij een staatsbezoek de toenmalige koningin Juliana zo’n ding cadeau deed aan het gekroonde hoofd in Noorwegen. Op reis door Zweden was het me al opgevallen dat je overal snuiftabak kon kopen. Blijkbaar lekker in de winter zo’n frisse neus. Ik kwam er ook nog een bekende Hollander tegen: admiraal Michiel de Ruyter. Waarom hij Dieppe destijds heeft aangedaan, heb ik niet kunnen achterhalen.
Zowaar van Dieppe naar Boulogne kunnen zeilen. Windkracht 4/5 uit het NO en met stroom mee somtijds 9 knopen over de grond. Toch nog een redelijk lange dag. Van 8.00 ‘s-morgens tot rond 17.00 uur. De voorspelde drukte in de jachthaven bleek reuze mee te vallen. Kwam te liggen naast een landgenoot, een straatmuzikant die voor het eerst in Frankrijk aan de slag was gegaan. Hij leeft op zijn boot en verdient z’n brood voornamelijk in en rond Amsterdam. ‘s-Zomers speelt ie gitaar en in de winter saxofoon achter het Centraal Station bij de ponten naar Noord. Gedenk hem als je in de buurt bent. Het centrum van Boulogne-sur-Mer bestaat uit de oude vestingstad. Er is zelfs een stukje stadsmuur uit de Romeinse tijd gevonden. Een beroemde egyptoloog is er geboren: Auguste Mariette. Eind 1800 heeft hij heel veel opgegraven in Egypte. Met als hoogtepunt het Serapeum bij Thebe, nu Saqqara. Een enorm ondergronds complex waar allerlei soorten heilige dieren als katten, valken en krokodillen zijn begraven. Er zijn grafkamers met gigantische natuurstenen kisten met daarin gebalsemde stieren die de godheid Apis verbeelden. Het Serapeum is sinds kort weer geopend voor publiek. Toen ik er voor het laatst in ’99 was, was alles gesloten en moest ik het doen met de resten van de werkplaats waar die beesten werden klaargemaakt voor de eeuwigheid. Ook hier een museum met iets heel bijzonders. Maskers van Indianen in Alaska. Een unieke verzameling die nergens anders op de wereld voorkomt en door een andere Fransman met belangstelling voor uitheemse kulturen ongeveer in dezelfde tijd als Mariette is aangelegd.
Waar blijven toch al die westenwinden deze zomer? Ik was zuidwaarts getogen om in september met de wind in de rug huiswaarts te kunnen keren. Op mijn tochten naar de Oostzee had ik er telkens tegen op moeten boksen. En nu lieten ze het totaal afweten. Er was zelfs helemaal geen wind op weg naar Duinkerken, ruim 7 uur aan een stuk op de motor. Moest op het eind nog benen maken; werd op de hielen gezeten door een bulkcarrier die ook naar binnen wilde. De haven van Duinkerken breidt zich steeds verder in zee uit. Een beetje à la de Europoort maar op kleinere schaal. De eerste aanblik wordt bepaald door dikke rookwolken uitbrakende hoogovens.
Eenmaal in de haven links en rechts braakliggende vlaktes waar eens scheepswerven stonden. Plukjes nieuwbouw geven een indruk wat de toekomst in petto heeft. Als ik aan Duinkerken denk, schieten me maar 2 dingen te binnen. Hollands kapersnest in de Gouden Eeuw. En Operatie Dynamo aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. In 10 dagen tijd werden hier ongeveer 350.000 manschappen (vnl. Engelsen, Fransen en Belgen) van het strand geplukt en naar Engeland overgezet. Ze waren daar vast komen te zitten en dreigden door de oprukkende Duitse legerscharen in zee te worden gedreven. Een tamelijk nietszeggend museumpje probeert de herinnering hieraan levend te houden.
Volgende tussenstation was Zeebrugge. Inmiddels is mijn reisplan drastisch gewijzigd. Ik ga niet meer direkt op huis aan. Een nieuwe bestemming heeft zich aangediend: Antwerpen. Gert, een van degene die mijn boot naar Frankrijk hebben gebracht, ligt daar met zijn zeilboot. Hij is er gestrand met een opgeblazen motor en heeft me gevraagd hem terug te slepen naar Hellevoetsluis. Even een ommetje dus via de Westerschelde. Mooie gelegenheid om weer eens een kijkje te nemen in Terneuzen. Toen ik jong was, logeerden we altijd met kerst bij oma, de moeder van mijn vader.
Haar huis staat er nog, schier onveranderd met brievenbus en al. Om een fotootje te kunnen maken, liep ik een stukje de tuin in. Binnen de kortste keren stond de man van de tapijtzaak aan de overkant voor mijn neus. De nieuwe bewoner. Antwerpen stelt op een of andere manier nooit teleur. Ik moest er een paar dagen verblijven in afwachting van 2 opstappers die zouden helpen bij het terugvaren. Het is een combinatie van een gezellige drukte en fraaie klassieke panden. Het nieuwe Museum aan de Schelde en het Museum voor hedendaagse kunst vielen me jammer genoeg nogal tegen. Had er meer van verwacht. Spectaculaire gebouwen met iets te weinig inhoud. Ook nog tijd gevonden voor een concert in de barokke St Paulus-kerk. Laat middeleeuwse 40 stemmige polyfone muziek met meerdere koren en instrumentale ensembles verspreid over het schip, in telkens wisselende samenstellingen. Soms heel verstild en dan weer verpletterend de hele ruimte vullend. Prachtig prachtig! Het is me wel duidelijk geworden uit welke bron de tegenwoordige seriële muziek put.
In anderhalve dag zijn we teruggevaren via het kanaal door Zuid-Beveland, Oosterschelde, Krammer- en Volkeraksluizen het Haringvliet op. Tevoren hadden we uitgebreid nagedacht over hoe we deze sleeppartij zouden aanpakken. In de praktijk bleek het allemaal net wat anders te gaan. Toch hebben we het zonder brokken te maken geklaard. Gert’s boot ligt weer netjes op z’n plaats. Net als de mijne.
Het baaitje Anse de Bréhec waar ik voor anker lag en waar al deze plannen tot volle wasdom waren gekomen, was prachtig. Het weer wat minder. Maar uren later dacht ik, even nog wat kontroleren. Merkte ik ineens dat 2 havens achter elkaar liggen, Granville en Cartaret, waarbij je bij de een ± 2 uur HW (hoogwater) de deur in en uit kan en de ander nog krapper te boek staat (± 1 uur HW). Op zich geen probleem, ware het niet dat HW net zo rond 12.00 uur is. M.a.w. dat je als je bij de eerste weggaat, je pas bij de tweede om middernacht naar binnen kan. Daar begin ik niet aan, een beetje in het duister rondscharrelen op volstrekt onbekend vaarwater. Door de grote getijverschillen liggen heel veel havens hier bij laag water verscholen achter honderden meters zandstrand. Binnen staat nog wel water omdat de havenkom voorzien is van een drempel waardoor ie niet leeg kan lopen.
orige week eindigde ik in Lanildut met de aankondiging op te zullen stomen naar Roscoff. Diezelfde middag , van de ochtend waarop ik mijn weblog bijwerkte, was het ineens zo’n fraai weer geworden dat ik nog een stukje ben gaan varen. Naar de Aber Benoit. Een goeie beslissing want de volgende dag bleek Roscoff wel heel ver weg te liggen. Geen zuchtje wind, de hele dag weer eens op de motor. In Camaret had ik al bij een supermarché 100 liter diesel goedkoop ingeslagen door 5 keer op en neer de fietsen met een jerrycan achterop. In Roscoff nog maar eens dezelfde hoeveelheid bijgetankt. Je weet maar nooit. Schiedam is nog ver. Roscoff is een aardig plaatsje met veel historisch gevoel. Ik zag nu ook met eigen ogen een schip vol zeealg. Glibberige lange slierten.
en met een van de mooiste zeildagen van de hele reis. Alles klopte, de motor alleen even aangezet om te vertrekken en voor anker te gaan in de Anse de Bréhec. Bedoeld als opstart van de slotronde. Mooi niet dus. Vandaag naar Lézardrieux teruggevaren voor de grote oversteek van morgen. Had ik die vuurtoren niet al eens eerder gezien? Klopt, namelijk ook in 1994! En wat is dat toch met die hunebedden, toen ook al.
Locmariaquer heeft samen met het langste graf La table des marchand en Le grand menhir te bieden. Indrukwekkend maar sfeerloos in een keurig aangeharkte omgeving. Waar je zelfs niet op gras mocht lopen. Als tegenwicht in de omgeving heel veel hunebedden in het wild weten op te sporen. Waaronder Pierres Plates met dekstenen van wel 10 m². Bij terugkeer na een hele middag op de fiets te hebben gezeten, lag mijn bootje vast in de modder. Mooie gelegenheid om even rustig aan te doen en na 2 pilsjes was het water weer zover gestegen dat ik terug naar huis kon varen.
Ze zeggen wel: koop een boot, werk je dood. In ieder geval ben je altijd bezig iets te repareren. Ik heb een lijstje waar ik iedere keer wat bij schrijf en doorstreep als het gedaan is. Daar komt geen eind aan. Net zoals aan de hoeveelheid gereedschap en onderdelen, die ik altijd bij me heb. Iedere keer als ik vertrek, denk ik zal dit of dat niet thuis laten. Het is maar goed dat ik dat niet doe. Hoogtepunt van de week in termen van klussen was het doorsmeren van de schroef. In Nederland moet ik dan even de kant op of iemand charteren die kan duiken. Maar hier heb je een alternatief vanwege de grote getijverschillen: laten droogvallen (gecontroleerd!). Een eerdere poging mislukte. Nu had ik een buitenkansje. In de haven van Larmor-Baden zijn een aantal balken verticaal tegen de kademuur gezet, waarlangs je rustig met de eb naar beneden kan zakken en waar tegen je als de boot op de grond staat, als het ware een beetje naar toe kan omvallen, zodat wind je niet per ongeluk naar de andere kant op een oor legt… Ik geloof dat ik iets te dichtbij landde waardoor ik niet goed genoeg tegen de kade aan hing. Voor de zekerheid is van de top van de mast een lijn uitgezet. Het is allemaal prima verlopen. Een half metertje water bleef er nog staan. In het rubberbootje ben ik achter onder het schip gevaren en met de vetspuit aan de slag gegaan. Bij het wegvaren later was er duidelijk een verschil te merken. Het vooruit en achteruit schakelen maakt ineens veel minder geluid. Al met al een hele dag werk. Om 8 uur ’s-ochtends net na het hoogtepunt van de vloed legde ik vast en 10 uur later kon ik pas vertrekken. Het klusje zelf is zo geklaard. Maar je moet aan boord blijven omdat je regelmatig de landvasten moet bijstellen.
Op het moment lig ik voor anker bij Larmor-Baden. Gisteravond was het feest. Moules et frites. Een jaarlijks gebeuren dat afgesloten wordt met een groots vuurwerk. De mosselen waren nog wat klein. De insiders om me heen prezen ze echter om hun smaak. Overigens de frieten mochten er ook zijn. Een regelrechte lekkernij na weken van eten van eigen brouwsels. Eergisteren ging het laatste bakje nog in Nederland voorgekookte spaghettiprut in de koekenpan. Fris uit het vriesvakje, geen koliek ofzo van gekregen. Dus nu sta ik er echt helemaal alleen voor!
. Alle pilot-boeken beschrijven hoe het hier kan spoken. Het is nauwe doorgang in een kaap waarvan de rotsen grotendeels onder water ver in zee doorlopen. Zelfs zo’n eind dat er om heen varen geen optie is. Wanneer het stevig waait en stroom en wind boksen tegen elkaar op, dan zijn alle ingrediënten voor exotisch maal aanwezig. Aangeraden wordt met doodtij er door heen te gaan. In mijn geval om 7 uur ’s-avonds. Voor mijn gevoel was ik redelijk op tijd vertrokken. Een uur eerder dan mensen die er bekend zijn, aanraadden. Toch schoot ik niet echt lekker op. De stroom was tegen en de route niet rechtstreeks bezeilbaar, ik moest een paar slagen maken. Daarbij kwam nog dat in de loop van de middag de wind afnam. Met gevolg, eerst zeilen met de motor bij en later zelfs helemaal alleen op de motor om op tijd bij Pointe du Raz te kunnen zijn. Het is allemaal goed gegaan. Samen met nog een paar boten zijn we er door heen geglipt. Om 21.00 uur ben ik voor anker gegaan in de baai van Ste. Évette, vlakbij Audierne. Rustig nachtje, lekker geslapen .
De volgende dag totaal geen wind. Ja, wat moet je dan? Blijven liggen of toch maar gaan en hopen op verbetering onderweg. Ben vertrokken. Acht en half uur aan een stuk op de motor moeten varen tot Port Manec’h. Het gekke is dat je van zo’n dag doodmoe wordt. Je doet eigenlijk helemaal niets; je zet de motor en stuurautomaat aan en dat is het. Maar dat gehang de hele dag. Je leest wat en toch moet je blijven opletten op wat er om je heen gebeurt. Het verschil merkte ik de dag daarop. Echt zeilweer, grotendeels windkracht 3 à 4 en niet pal achter.
Pas in de Baie de Quiberon trok de wind nog even stevig aan tot 5/6. Dat was wel goed, liet me weer merken dat de boot niet de zwakke schakel is. Daar kan je volledig op vertrouwen! Na 11 uur op het water aangelegd in La Trinité-sur-Mer. Ik had het toen wel gehad, maar totaal anders dan de dag ervoor. Waarschijnlijk mede omdat ik nu daar ben waar had willen uitkomen. Namelijk bij Carnac!
Zon, veel wind, geen wind, regen, mist of combinaties daarvan. Ze hebben één kenmerk gemeenschappelijk, kou, vreselijke kou. Het is echt afzien. Op weerkaartjes staat regelmatig Brest als koudste plek op (Franse) aarde genoteerd. De beste dagen waren nog de 2 direct na aankomst in Camaret-sur-Mer. Daarna is het alleen maar bergafwaarts gegaan en de vooruitzichten…
Om wat zeebenen aan te kweken ben ik de Rade van Brest opgegaan. Een klein IJsselmeertje, daar durf ik wel. Ik heb alsmaar het gevoel dat de oceaan een maatje te groot voor me is. Uiteindelijk niet veel van terecht gekomen vanwege het weer. Ben maar wat gaan schuilen op de rivier de L’Auline. Middenin een oorlogschepenkerkhof. Ze laten ze daar gewoon wegrotten. Op de Colbert (de man van het jasje… minister ten tijden van Lodewijk XIV) stonden zelfs nog de raketten.
Van de week regelmatig gedacht, wat heb ik hier te zoeken. Ik ga (ook) terug. Zouden deze zeebonken, die de boot zo te zien in betere tijden naar dit onherbergzame oord brachten, hem ook weer terug willen halen…? Gelukkig zijn de weersvooruitzichten aan de beterende hand. Wie weet kom ik nog uit Camaret weg. Eerst nog even 2 dagen een kleine storm uit schommelen. Maar dan heeft het er alle schijn van dat ik in een paar dagen naar Carnac (niet Karnak in Egypte) kan varen. Daar is opnieuw een leuke binnenzee, de Golf van Morbihan. En belangrijker, het is een megalieten paradijs met als hoogtepunt kilometers lange ‘landingsbanen’ van op een rijtje gezette rotsblokken. Waarom? Reden onbekend. Des te fascinerender!