Uit de veelal vluchtige gesprekken met collega-zeilers is het me duidelijk geworden dat er in wezen maar 2 soorten zijn: de zeilers en degenen die ergens op weg naar toe zijn.Het lijkt een vrij theoretisch onderscheid maar het is wezenlijk. De zeilers gaat het om het zeilen, koersen uitzetten e.d.. Waar ze uitkomen en wat er te zien is, is van een tweede orde. Mijn categorie, die het schip voornamelijk als een aangenaam vervoermiddel zien, heeft precies de omgekeerde prioriteitstelling. Ze zijn ver in de
minderheid. Bij de eerste groep tref je meestal een vrouw aan die het allemaal ondergaat. Een keer luchtte een Waalse mevrouw haar hart bij me toen haar man even weg was. Al 3 weken stond ze doodsangsten uit. Mensen en een boot aanleggen; het is een studie waard. Een grote communicatiestoring, waarbij krachttermen niet van de lucht zijn. Dit probleem doet zich overigens vrij algemeen voor; mij overkomt het net zo goed als er mensen aan boord zijn. Van tevoren probeer je een inschatting van de situatie te maken maar in de praktijk is het altijd net wat anders. En dan is het van achter het roer heel moeilijk uitleggen aan degene die voorop staat en de kade gevaarlijk dichtbij ziet komen, wat je nu weer voor ‘kunststukje’ gaat uithalen. Vorige keer liet ik al zien dat ik Hollands driekleur met het zetten van de aap hoog houd. Varen op zichzelf is geen kunst. Als je alle touwen uit de knoop hebt en de zeilen gehesen zijn, begint het schip gewoon te var
en. Staan de
zeilen verkeerd, dan maak je weinig vooruitgang (net zoals bij weinig wind). Met wat meer kijk op de zaak, lukt het (steeds) beter. Toch moet je geen ongedurig tiep zijn, want de keren dat de wind zo blaast dat je hem lekker mee hebt, komt maar heel weinig voor. Het leven aan boord is comfortabel. Op nog geen 20 vierkante meter heb je alles in poppenhuis formaat voor handen. Van een logeer- tot werkkamer. In de punt bevindt zich het gastenverblijf. Afsluitbaar met een deurtje, als je niet al te claustrofobisch bent, en gezellig met de voeten bij elkaar. De woonkamer bestaat in hoofdzaak uit vaste banken en een grote uitklapbare tafel. Ideaal -zoals je kan zien- om de kaart te bekijken. Deze zijn van een super onhandig formaat; dit is nog maarde helft. In een apart hoekje zit de werkkamer. Het
werkblad heet de kaartentafel. Een eufemisme want er past geen zeekaart op. De keuken- nog
betegeld volgens 70-jarigen normen- is lekker groot. Tenminste in vergelijking wat ik op andere schepen heb gezien. De aandachtige lezer heeft natuurlijk die 4 bakjes achterin al opgemerkt. Ik heb net voor 5 dagen gekookt. Een vijfde deel daarvan heb ik net genuttigd, de 4 andere delen staan nu af te koelen om te worden opgeborgen in de koelkast (eigenlijk -kist, de deksel is een luikje in het aanrechtblad). De keuken zit onder het gangboord. Dus je moet een stapje naar beneden en op tijd je hoofd intrekken. Na anderhalve maand heb ik dat aardig onder de knie. Op mijn hoofd zitten geen korsten meer van hardhandige aanvaringen met het bovenrandje van het plafond of de net te lage deuren. Tegenover de keuken bevindt zich de douche/WC-combinatie. Daartussen zit de motor. Helemaal achterin is de
eigenaarshut met 2 bedden aan de zijkanten. Boven een zitten allerlei meters, die ook op dek staan. Zou je al slapend kunnen varen… nog niet uitgeprobeerd. Bijzondere aandacht verdient dit kastje. Het is de stuurautomaat die me op koers houdt op lange stukken, zodat ik niet uren aan het roer hoef te staan en rustig een boekje kan lezen.
Al varende langs de krijtrotsen van Denemarken ben ik aangekomen in Kopenhagen. 
Om precies te zijn in Dragor, iets ten zuiden. Een vissersdorpje waar de sfeer van vroeger bijzonder aardig is bewaard. Een paar eeuwen geleden zijn er door de Deense koning Hollandse boeren naar toe gehaald om de landbouw op een hoger/intensiever pijl te brengen. Ik weet niet of dat gelukt is; de Deense boeren zullen er wel blij mee zijn geweest!? Af en toe verwijst een straatnaam naar die tijd van toen. Er staat een klein monumentje ter nagedachtenis van de massale vlucht van Joden in
de Tweede Wereldoorlog naar het neutrale Zweden. De tijd heeft deze heldendaad fors gerelativeerd.
De vissers voeren ze verre van belangeloos over; er moest stevig voor worden betaald.
Kopenhagen is echt een stad. Brede allees, imposante paleizen, stevige woonblokken.
En niet te vergeten opmerkelijke torens. Een beetje Berlijn met dezelfde vriendelijke sfeer. Nederlandse steden steken hierbij armetierig af. Al die energievretende, overbodige, zotte hoogbouw daar hoeven ze zich hier niet aan te bezondigen. Een oude kennis heeft geprobeerd me de stad te laten zien. De regen was helaas weer eens spelbreker. Het wereldrecord catwalk-lopen is desondanks gebroken, waarvan acte.
Een plaatj
e van een paar schoenen uit de oertijd (in het National Museet) wil ik niemand onthouden. Net iets dichterbij dan van die steenhopen, toch?