Dat zijn jullie niet van me gewend. Geen wekelijkse afleveringen meer? Ja, het schiet er een beetje bij in. Een echte reden kan ik er niet voor aangeven. Misschien was te warm. Dan ga je niet binnen zitten achter je computer zitten. Af en toe heb ik ook het gevoel meer van het zelfde op te schrijven. Daar zit ook niemand op te wachten. Daarom nu het droeve verhaal over de verdronken stad Ys. Bretagne heeft zo haar eigen Atlantis. Het moet ergens liggen bij Raz de Sein, net iets noordelijker ervan in de Baie des Trépassés. Of misschien meer in de Baie de Douarnenez (alwaar ik nu op het moment een stormpje aan me voorbij laat gaan). Zeelieden en vissers horen in die contreien nog regelmatig klokgelui van onder water. Ys lag van oorsprong onder de zeespiegel maar werd voor overstroming beschermd door een ommuring. Ten tijden van koning Gradlon werd de stad een poel des verderfs, mede door het liederlijke gedrag van zijn dochter Dahut. Onze Lieve Heer zag dat allemaal met lede ogen aan en besloot dat dat niet verder kon. Hij stuurde de duivel erop af in de persoon van een bevallige jongeman die de koningsdochter verleidde. Na van haar de sleutels van de sluisdeuren ontfutseld te hebben, opent hij die en laat de stad verzuipen. De koning weet het vege lijf te redden. Hij vlucht te paard. Eerst nog samen met zijn dochter. Maar als het paard niet snel genoeg vooruit kan met die 2 op zijn rug, moet hij haar opofferen en smijt haar in het water. Op instigatie van ene saint Gwennolé…
Vorige keer eindigde ik met de nationale verbroederingsfeesten in Frankrijk ter gelegenheid van de 14de juli. Vanaf de boot heb ik op verschillende plaatsen vuurwerk zien afsteken. De ene keer pal voor m’n neus en dan weer heel ergens in de verte. Allemaal nog op en rond de Golf van Morbihan. Deze heb ik inmiddels achter me gelaten. Maar daarover straks meer.
Vrij systematisch verkende ik de golf. Toch heb ik hele grote delen niet bezocht. Het is een soort IJsselmeer. Ook zo’n binnenzee. En net zo onbevaarbaar door de ondieptes. Bij vloed kan je overal wel komen. Maar bij eb moet je de diepere stukken weer opzoeken. Het grote verschil is dat de golf bezaaid is met grotere en kleine eilanden met lieflijke baaitjes en ruige natuur.
Voorbije week heb ik met name doorgebracht in en rond Arzon en Locmariaquer. Twee plaatsjes aan beide kanten van de monding van de golf. Arzon is een vakantieparadijs met een megahaven. Die zijn hier wel meer. Met meer dan 1000 ligplaatsen. En dat is nog niet genoeg. Op de kant staan de boten in rekken op elkaar gestapeld. Het stadje bestaat uit een conglomeraat van hameaux (gehuchtjes). Ieder met een eigen karakter. De meest recente zijn in historiserende stijl neergezet. Alsof het gedachtengoed van prins Charles van Groot Brittannië ook hier heeft post gevat. Overal zie je jong en oud geanimeerd worden. Club Med is niet voor niks een franse uitvinding. Laten men zich niet bezig houden dan doen ze dat zelf. Bij eb staat half Frankrijk gebukt aan de vloedlijn mosselen of iets dergelijks te rapen. Voor mij was er ook het nodige te beleven. Natuurlijk Petit-Mont (die de teleurstelling van Gavrinis geheel deed vergeten). Een enorme heuvel van keitjes met daarin 3 graven. En een duitse bunker. Hoe dat allemaal zo gekomen is, laat zich raden. De duitsers hebben respect getoond voor dit brokstuk historie. Runentekens hielden ze ook zo van. In de bunker is een apart deurtje waardoor een van de graven (ook nu) toegankelijk bleef. Arzon zal verder in mijn geheugen gegrift blijven staan vanwege mijn eerste lekke band (in al die jaren). Na een uurtje (terug)lopen kwam ik gelukkig een fietsenmaker tegen. Hij leende me zelfs een fiets zodat ik terwijl de band repareerd werd, wat boodschappen kon doen. Als borg liet ik mijn rijbewijs bij hem achter. Blij dat alles het weer deed, vergat ik het terug te vragen. Als het goed is, heeft hij het inmiddels naar Camaret (waar ik straks weer langs kom) opgestuurd. We zullen zien.
Locmariaquer, pal tegenover Arzon, is eveneens een toeristenplaatsje. Maar totaal anders van karakter. Gewoon nog het dorpje van vroeger in zekere zin. ’s-Morgens had ik mijn rubberbootje ergens aan steiger vastgelegd. Mijn eerste opgave was een benzinepomp te vinden. Bleek er niet te zijn. Degene die ik het vroeg, bood gelijk aan wat uit zijn tank over te gieten. Zomaar gratis, hij wilde er niets voor hebben. Zeker nog in de feestroes; de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap in de praktijk gebracht. Met deze opsteker op pad gegaan.
Locmariaquer heeft samen met het langste graf La table des marchand en Le grand menhir te bieden. Indrukwekkend maar sfeerloos in een keurig aangeharkte omgeving. Waar je zelfs niet op gras mocht lopen. Als tegenwicht in de omgeving heel veel hunebedden in het wild weten op te sporen. Waaronder Pierres Plates met dekstenen van wel 10 m². Bij terugkeer na een hele middag op de fiets te hebben gezeten, lag mijn bootje vast in de modder. Mooie gelegenheid om even rustig aan te doen en na 2 pilsjes was het water weer zover gestegen dat ik terug naar huis kon varen.
Het is een langer verhaal geworden dan ik te voren had ingeschat. Volgende week dan maar het vervolg. Waaronder mijn bezoek aan Lorient.
Ze zeggen wel: koop een boot, werk je dood. In ieder geval ben je altijd bezig iets te repareren. Ik heb een lijstje waar ik iedere keer wat bij schrijf en doorstreep als het gedaan is. Daar komt geen eind aan. Net zoals aan de hoeveelheid gereedschap en onderdelen, die ik altijd bij me heb. Iedere keer als ik vertrek, denk ik zal dit of dat niet thuis laten. Het is maar goed dat ik dat niet doe. Hoogtepunt van de week in termen van klussen was het doorsmeren van de schroef. In Nederland moet ik dan even de kant op of iemand charteren die kan duiken. Maar hier heb je een alternatief vanwege de grote getijverschillen: laten droogvallen (gecontroleerd!). Een eerdere poging mislukte. Nu had ik een buitenkansje. In de haven van Larmor-Baden zijn een aantal balken verticaal tegen de kademuur gezet, waarlangs je rustig met de eb naar beneden kan zakken en waar tegen je als de boot op de grond staat, als het ware een beetje naar toe kan omvallen, zodat wind je niet per ongeluk naar de andere kant op een oor legt… Ik geloof dat ik iets te dichtbij landde waardoor ik niet goed genoeg tegen de kade aan hing. Voor de zekerheid is van de top van de mast een lijn uitgezet. Het is allemaal prima verlopen. Een half metertje water bleef er nog staan. In het rubberbootje ben ik achter onder het schip gevaren en met de vetspuit aan de slag gegaan. Bij het wegvaren later was er duidelijk een verschil te merken. Het vooruit en achteruit schakelen maakt ineens veel minder geluid. Al met al een hele dag werk. Om 8 uur ’s-ochtends net na het hoogtepunt van de vloed legde ik vast en 10 uur later kon ik pas vertrekken. Het klusje zelf is zo geklaard. Maar je moet aan boord blijven omdat je regelmatig de landvasten moet bijstellen.
Op het moment lig ik voor anker bij Larmor-Baden. Gisteravond was het feest. Moules et frites. Een jaarlijks gebeuren dat afgesloten wordt met een groots vuurwerk. De mosselen waren nog wat klein. De insiders om me heen prezen ze echter om hun smaak. Overigens de frieten mochten er ook zijn. Een regelrechte lekkernij na weken van eten van eigen brouwsels. Eergisteren ging het laatste bakje nog in Nederland voorgekookte spaghettiprut in de koekenpan. Fris uit het vriesvakje, geen koliek ofzo van gekregen. Dus nu sta ik er echt helemaal alleen voor!
. Alle pilot-boeken beschrijven hoe het hier kan spoken. Het is nauwe doorgang in een kaap waarvan de rotsen grotendeels onder water ver in zee doorlopen. Zelfs zo’n eind dat er om heen varen geen optie is. Wanneer het stevig waait en stroom en wind boksen tegen elkaar op, dan zijn alle ingrediënten voor exotisch maal aanwezig. Aangeraden wordt met doodtij er door heen te gaan. In mijn geval om 7 uur ’s-avonds. Voor mijn gevoel was ik redelijk op tijd vertrokken. Een uur eerder dan mensen die er bekend zijn, aanraadden. Toch schoot ik niet echt lekker op. De stroom was tegen en de route niet rechtstreeks bezeilbaar, ik moest een paar slagen maken. Daarbij kwam nog dat in de loop van de middag de wind afnam. Met gevolg, eerst zeilen met de motor bij en later zelfs helemaal alleen op de motor om op tijd bij Pointe du Raz te kunnen zijn. Het is allemaal goed gegaan. Samen met nog een paar boten zijn we er door heen geglipt. Om 21.00 uur ben ik voor anker gegaan in de baai van Ste. Évette, vlakbij Audierne. Rustig nachtje, lekker geslapen .
De volgende dag totaal geen wind. Ja, wat moet je dan? Blijven liggen of toch maar gaan en hopen op verbetering onderweg. Ben vertrokken. Acht en half uur aan een stuk op de motor moeten varen tot Port Manec’h. Het gekke is dat je van zo’n dag doodmoe wordt. Je doet eigenlijk helemaal niets; je zet de motor en stuurautomaat aan en dat is het. Maar dat gehang de hele dag. Je leest wat en toch moet je blijven opletten op wat er om je heen gebeurt. Het verschil merkte ik de dag daarop. Echt zeilweer, grotendeels windkracht 3 à 4 en niet pal achter.
Pas in de Baie de Quiberon trok de wind nog even stevig aan tot 5/6. Dat was wel goed, liet me weer merken dat de boot niet de zwakke schakel is. Daar kan je volledig op vertrouwen! Na 11 uur op het water aangelegd in La Trinité-sur-Mer. Ik had het toen wel gehad, maar totaal anders dan de dag ervoor. Waarschijnlijk mede omdat ik nu daar ben waar had willen uitkomen. Namelijk bij Carnac!
Zon, veel wind, geen wind, regen, mist of combinaties daarvan. Ze hebben één kenmerk gemeenschappelijk, kou, vreselijke kou. Het is echt afzien. Op weerkaartjes staat regelmatig Brest als koudste plek op (Franse) aarde genoteerd. De beste dagen waren nog de 2 direct na aankomst in Camaret-sur-Mer. Daarna is het alleen maar bergafwaarts gegaan en de vooruitzichten…
Om wat zeebenen aan te kweken ben ik de Rade van Brest opgegaan. Een klein IJsselmeertje, daar durf ik wel. Ik heb alsmaar het gevoel dat de oceaan een maatje te groot voor me is. Uiteindelijk niet veel van terecht gekomen vanwege het weer. Ben maar wat gaan schuilen op de rivier de L’Auline. Middenin een oorlogschepenkerkhof. Ze laten ze daar gewoon wegrotten. Op de Colbert (de man van het jasje… minister ten tijden van Lodewijk XIV) stonden zelfs nog de raketten.
Van de week regelmatig gedacht, wat heb ik hier te zoeken. Ik ga (ook) terug. Zouden deze zeebonken, die de boot zo te zien in betere tijden naar dit onherbergzame oord brachten, hem ook weer terug willen halen…? Gelukkig zijn de weersvooruitzichten aan de beterende hand. Wie weet kom ik nog uit Camaret weg. Eerst nog even 2 dagen een kleine storm uit schommelen. Maar dan heeft het er alle schijn van dat ik in een paar dagen naar Carnac (niet Karnak in Egypte) kan varen. Daar is opnieuw een leuke binnenzee, de Golf van Morbihan. En belangrijker, het is een megalieten paradijs met als hoogtepunt kilometers lange ‘landingsbanen’ van op een rijtje gezette rotsblokken. Waarom? Reden onbekend. Des te fascinerender!
Zelfs geen stempeltje, alleen wat geblader in je paspoort. Thessaloniki is echt een grootstad. Voor zover ik heb kunnen zien, zitten alle terrasjes barstens vol. Krisis hoezo? Of wat moet je anders, met 30
Bedankt voor je wolken in de ochtend en aan het eind van de middag. Anders zou het niet om uit te houden zijn geweest. Voor der afwisseling dit keer een echt zandstrand. Griekenland kent ze in alle soorten en maten. Mijn voorkeur hebben inmiddels de paralia met heel grof zand, net geen kiezels. Daar is het water altijd hartstikke helder, ook al staan er stevige golven. Deze reis is de meest vakantie-achtige geweest. Ik heb ook veel gezien maar ben veel vaker dan andere keren ergens een paar dagen blijven staan. Aan zee natuurlijk! De redenen zijn simpel: het weer en altijd is wel een kust nabij. Mooie vooruitzichten voor volgend jaar. Ik heb al wat op de kaart zitten kijken. Turkije lonkt.
Afgezien van de prijs van het nieuwe onderdeel bedroeg het arbeidsloon 20 euro. Daarvoor zijn 2 mensen 3 kwartier bezig geweest! Dezelfde ervaring had ik bij de kapper, 5 euro geknipt en geschoren. Nou was het wel een hele simpele kapper. De coupe is er niet minder om. En dat allemaal in gebarentaal. Hij sprak werkelijk geen woord niet-Grieks. Wat opvalt, is dat je overal cash moet betalen. Natuurlijk niet bij de Lidl, alhoewel ik wel altijd de enige ben die pint. Zou er een samenhang zijn? Lage inkomsten en geen krediet meer bij de bank?
Tot slot Dion aangedaan. De ommuring, wat heiligdommen en grote kasten van huizen in de binnenstad zijn bloot gelegd. De hele stad ligt er nog, onderaan de voet van het Olympus gebergte en had een nauwe band met het godengezelschap daar boven. Alexander de Grote heeft er Zeus verzocht zijn zegen uit te spreken aan het begin van zijn veroveringstocht. Uren rondgedwaald over het enorme opgravingsterrein. Overal zie je nog geplaveide straten. Wat me echt bij is gebleven, is de vondst van een heus orgeltje uit 100 v. Chr. Nooit geweten dat dat toen ook al bestond.
Zowat de hele week doorgebracht op het schiereiland Mani(s). Omdat een paar Oostenrijkers me hadden verteld dat er weinig of geen leuke overnachtingsplaatsen zijn, was ik eerst met auto alleen op verkenning gegaan. Hun verhaal klopte. Toch vond ik wat door als maar een zijweg in te slaan, richting water. En zo waar, ineens stuitte ik op een kleine haventje met een beide kanten twee zeg maar eenpersoons-strandjes. Na de caravan te hebben opgehaald, ben ik iedere dag vandaar op stap gegaan.
Maar bij het bordje met een pijl (van daro) nergens iets te bekennen. Ik was alweer naar de auto gelopen en keek nog eens achterom. En jawel, een grijze streep in het struweel. Zouden dat geen resten van een vestingmuur kunnen zijn? Terug dus en de berg op. Honderd misschien wel meer meters bijna verticaal omhoog trof ik de bewijzen aan. Ik zal de plaatjes doorgeven aan
Heel apart was een blik te kunnen werpen in de wasruimte van de atleten. Op de foto zie je aan beide kanten de wasbakken en in het midden een bassin. Men neemt aan dat het hele complex als er geen spelen werden gehouden, leeg stond. Voor bezoekers was er nauwelijks enige accommodatie. Het was echt afzien. Het stadion had ook geen zitplaatsen. Men stond of zat in het gras op de taluten.
Betonnen funderingen staken uit de grond, waarschijnlijk voor een overkapping. Een grote bouwkraan stond er nog en overal steigers met daaronder mozaïeken. Verder was de hele zaak met isolatiemateriaal ingepakt. Blijkbaar in afwachting van betere tijden. Maar zo te zien laat die op zich wachten. Overal zat de beschermende bekleding al los of was weg, verwaaid.