Het is of de duvel ermee speelt. Het waait of te hard of er is nauwelijks wind. Lag twee dagen in de boeien te Lanildut met windkracht 5/7. Dan zie je mij niet op zee. Fransen ook nauwelijks, alhoewel die toch niet anders gewend zijn. Wil ik vandaag vertrekken, totaal geen wind. Erger nog hij draait morgen naar het noordwesten. Dwz pal tegen! Ook al geen optie, want ik moet een redelijk grote sprong maken naar Roscoff. Het merendeel laveren tegen de wind in duurt veel te lang. Ik zou laat aankomen, in het donker met stroom tegen. Mijn buurman aan de andere kant van de drijvende reuze eieren maakte me daar op attent. Zorg dat je de vloed in de rug hebt, bij eb is het geen doen. Dat wordt dus zeker nog 2 dagen Lanildut.
Een lieflijk dorpje maar haar hoogtijdagen zijn echt voorbij. Een paar eeuwen geleden was de haven een tussenstop tussen Bordeaux en Albion. Kapitein kooplieden voorzagen met hun zeilschepen in de wijnbehoefte van de Engelsen. Hun riante woningen herinneren aan die tijd. Nu prijst men zich aan als haven met de grootste algen (ik zou het zeegras noemen) vissersvloot van Europa. Gisteren had ik eigenlijk moeten weggaan, maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen de menhirs en dolmen ongezien achter met de laten. Een beetje dom want het was meer van hetzelfde, wel keurig bewegwijzerd.
De Golf van Morbihan ligt al meer dan 2 weken achter me. Vandaar ben ik naar Lorient gevaren. Eigenlijk maar om één reden: de U-boot basis uit WO II. Deze ligt er nog grotendeels in takt bij omdat ie na de oorlog door de Fransen zelf jarenlang is gebruikt. Ik vermoed dat de slotscène uit de film Das Boot hier is opgenomen. Op meer plaatsen waren dit soort havens, zoals in La Rochelle en Brest. Globaal zijn 3 onderdelen te onderscheiden. De overdekte insteekhavens waar men van zee uit in kon varen. Een tamelijk hachelijke onderneming naar het schijnt. De aanloop kan niet onder water worden uitgevoerd. En waren op die manier makkelijk vanuit de lucht aan te vallen. Dat gebeurt dan ook in de film. Reparaties werden in soortgelijke hallen op het droge uitgevoerd. Via een dok met lift werden ze op de kant gezet en vandaar verder getransporteerd. Het complex heeft nu totaal andere bestemming. In de meeste hallen worden de meest futuristische race-zeil-machines gebouwd.
Daar heeft Frankrijk een hele traditie in die al teruggaat ver voor de beroemde solotochten van Éric Tabarly. Zijn laatste schip, de Pen Duick VI, ligt er ook. Hij voer nog redelijk traditioneel met een wat heet een monohull. Later kwamen de cata- en trimarans.
Ter overnachting lag ik niet in Lorient zelf. Ik had historisch interessanter plekje aan de overkant gevonden, in Port-Louis. Een vestingstad met een citadel. Een soort Enkhuizen. Met een zelfde funktie ten tijden van de Franse Oost-Indische Companie. Het verbaasde me dat het meeste materiaal in het museum betrekking had op onze VOC. Er moet toch genoeg terug te vinden zijn uit die periode in Vietnam?
Volgende tussenstop was Loctudy. Misschien wel aardig om te vertellen hoe ik er terecht kwam. Was namelijk helemaal niet de bedoeling. Ik wilde naar Ste Evette bij Audierne. Een forse afstand vanaf Lorient maar het leek me te doen in een dag. Halverwege voor Pointe de Penmarch zag ik in de verte donkere wolken zich opstapelen. Als uitwijkmogelijkheid had ik Guilvinec in gedachten. Een vissershaven waar zeilboten welkom zijn. Alleen niet tussen 16.00 en 18.30 uur. Dan heeft de beroepsvaart prioriteit en mag je als plezierboot er niet of uit. Erg onhandig als je daar zo rond half vijf bent. Om er nou 2 uur voor de deur te gaan hangen, leek me niks. De zee was bovendien een peu agité. Dus zodoende.
Via Ste Evette (toch aangedaan) terecht gekomen in Douarnenez. Dit keer wel een strategische keuze. Alle voorspellingen kondigden een paar dagen heftig weer aan uit het zuidwesten. Camaret was ook een optie geweest. Maar daar heb ik al eens meer verwaaid gelegen. Op de kaart had ik gezien dat de oude vissershaven een prima beschutting bood. Met mijn bijbootje kon ik zo naar de kant varen en stond dan bijna gelijk midden in de stad. Een leuk stadje, mooi scheepvaartmuseum, fraaie oude kerkjes en ook nog voorouderlijke resten. Tussen de buien door allemaal gezien. Soms zeiknat dan weer effe drogen.
Op weg naar Lanildut Camaret aangedaan. Daar lagen bij de capitainerie keurig mijn rijbewijs (weet je nog, laten liggen bij de fietsenmaker in Arzon) en laptop op me te wachten. De laatste was opgestuurd omdat ik vergeten had de films en e-boeken over te zetten op de computer die ik bij me had. ’s-Avonds met een paar Nederlanders een borreltje gedronken en zo toch nog mijn verjaardag gevierd.
Locmariaquer heeft samen met het langste graf La table des marchand en Le grand menhir te bieden. Indrukwekkend maar sfeerloos in een keurig aangeharkte omgeving. Waar je zelfs niet op gras mocht lopen. Als tegenwicht in de omgeving heel veel hunebedden in het wild weten op te sporen. Waaronder Pierres Plates met dekstenen van wel 10 m². Bij terugkeer na een hele middag op de fiets te hebben gezeten, lag mijn bootje vast in de modder. Mooie gelegenheid om even rustig aan te doen en na 2 pilsjes was het water weer zover gestegen dat ik terug naar huis kon varen.
Ze zeggen wel: koop een boot, werk je dood. In ieder geval ben je altijd bezig iets te repareren. Ik heb een lijstje waar ik iedere keer wat bij schrijf en doorstreep als het gedaan is. Daar komt geen eind aan. Net zoals aan de hoeveelheid gereedschap en onderdelen, die ik altijd bij me heb. Iedere keer als ik vertrek, denk ik zal dit of dat niet thuis laten. Het is maar goed dat ik dat niet doe. Hoogtepunt van de week in termen van klussen was het doorsmeren van de schroef. In Nederland moet ik dan even de kant op of iemand charteren die kan duiken. Maar hier heb je een alternatief vanwege de grote getijverschillen: laten droogvallen (gecontroleerd!). Een eerdere poging mislukte. Nu had ik een buitenkansje. In de haven van Larmor-Baden zijn een aantal balken verticaal tegen de kademuur gezet, waarlangs je rustig met de eb naar beneden kan zakken en waar tegen je als de boot op de grond staat, als het ware een beetje naar toe kan omvallen, zodat wind je niet per ongeluk naar de andere kant op een oor legt… Ik geloof dat ik iets te dichtbij landde waardoor ik niet goed genoeg tegen de kade aan hing. Voor de zekerheid is van de top van de mast een lijn uitgezet. Het is allemaal prima verlopen. Een half metertje water bleef er nog staan. In het rubberbootje ben ik achter onder het schip gevaren en met de vetspuit aan de slag gegaan. Bij het wegvaren later was er duidelijk een verschil te merken. Het vooruit en achteruit schakelen maakt ineens veel minder geluid. Al met al een hele dag werk. Om 8 uur ’s-ochtends net na het hoogtepunt van de vloed legde ik vast en 10 uur later kon ik pas vertrekken. Het klusje zelf is zo geklaard. Maar je moet aan boord blijven omdat je regelmatig de landvasten moet bijstellen.
Op het moment lig ik voor anker bij Larmor-Baden. Gisteravond was het feest. Moules et frites. Een jaarlijks gebeuren dat afgesloten wordt met een groots vuurwerk. De mosselen waren nog wat klein. De insiders om me heen prezen ze echter om hun smaak. Overigens de frieten mochten er ook zijn. Een regelrechte lekkernij na weken van eten van eigen brouwsels. Eergisteren ging het laatste bakje nog in Nederland voorgekookte spaghettiprut in de koekenpan. Fris uit het vriesvakje, geen koliek ofzo van gekregen. Dus nu sta ik er echt helemaal alleen voor!
. Alle pilot-boeken beschrijven hoe het hier kan spoken. Het is nauwe doorgang in een kaap waarvan de rotsen grotendeels onder water ver in zee doorlopen. Zelfs zo’n eind dat er om heen varen geen optie is. Wanneer het stevig waait en stroom en wind boksen tegen elkaar op, dan zijn alle ingrediënten voor exotisch maal aanwezig. Aangeraden wordt met doodtij er door heen te gaan. In mijn geval om 7 uur ’s-avonds. Voor mijn gevoel was ik redelijk op tijd vertrokken. Een uur eerder dan mensen die er bekend zijn, aanraadden. Toch schoot ik niet echt lekker op. De stroom was tegen en de route niet rechtstreeks bezeilbaar, ik moest een paar slagen maken. Daarbij kwam nog dat in de loop van de middag de wind afnam. Met gevolg, eerst zeilen met de motor bij en later zelfs helemaal alleen op de motor om op tijd bij Pointe du Raz te kunnen zijn. Het is allemaal goed gegaan. Samen met nog een paar boten zijn we er door heen geglipt. Om 21.00 uur ben ik voor anker gegaan in de baai van Ste. Évette, vlakbij Audierne. Rustig nachtje, lekker geslapen .
De volgende dag totaal geen wind. Ja, wat moet je dan? Blijven liggen of toch maar gaan en hopen op verbetering onderweg. Ben vertrokken. Acht en half uur aan een stuk op de motor moeten varen tot Port Manec’h. Het gekke is dat je van zo’n dag doodmoe wordt. Je doet eigenlijk helemaal niets; je zet de motor en stuurautomaat aan en dat is het. Maar dat gehang de hele dag. Je leest wat en toch moet je blijven opletten op wat er om je heen gebeurt. Het verschil merkte ik de dag daarop. Echt zeilweer, grotendeels windkracht 3 à 4 en niet pal achter.
Pas in de Baie de Quiberon trok de wind nog even stevig aan tot 5/6. Dat was wel goed, liet me weer merken dat de boot niet de zwakke schakel is. Daar kan je volledig op vertrouwen! Na 11 uur op het water aangelegd in La Trinité-sur-Mer. Ik had het toen wel gehad, maar totaal anders dan de dag ervoor. Waarschijnlijk mede omdat ik nu daar ben waar had willen uitkomen. Namelijk bij Carnac!
Zon, veel wind, geen wind, regen, mist of combinaties daarvan. Ze hebben één kenmerk gemeenschappelijk, kou, vreselijke kou. Het is echt afzien. Op weerkaartjes staat regelmatig Brest als koudste plek op (Franse) aarde genoteerd. De beste dagen waren nog de 2 direct na aankomst in Camaret-sur-Mer. Daarna is het alleen maar bergafwaarts gegaan en de vooruitzichten…
Om wat zeebenen aan te kweken ben ik de Rade van Brest opgegaan. Een klein IJsselmeertje, daar durf ik wel. Ik heb alsmaar het gevoel dat de oceaan een maatje te groot voor me is. Uiteindelijk niet veel van terecht gekomen vanwege het weer. Ben maar wat gaan schuilen op de rivier de L’Auline. Middenin een oorlogschepenkerkhof. Ze laten ze daar gewoon wegrotten. Op de Colbert (de man van het jasje… minister ten tijden van Lodewijk XIV) stonden zelfs nog de raketten.
Van de week regelmatig gedacht, wat heb ik hier te zoeken. Ik ga (ook) terug. Zouden deze zeebonken, die de boot zo te zien in betere tijden naar dit onherbergzame oord brachten, hem ook weer terug willen halen…? Gelukkig zijn de weersvooruitzichten aan de beterende hand. Wie weet kom ik nog uit Camaret weg. Eerst nog even 2 dagen een kleine storm uit schommelen. Maar dan heeft het er alle schijn van dat ik in een paar dagen naar Carnac (niet Karnak in Egypte) kan varen. Daar is opnieuw een leuke binnenzee, de Golf van Morbihan. En belangrijker, het is een megalieten paradijs met als hoogtepunt kilometers lange ‘landingsbanen’ van op een rijtje gezette rotsblokken. Waarom? Reden onbekend. Des te fascinerender!
Zelfs geen stempeltje, alleen wat geblader in je paspoort. Thessaloniki is echt een grootstad. Voor zover ik heb kunnen zien, zitten alle terrasjes barstens vol. Krisis hoezo? Of wat moet je anders, met 30
Bedankt voor je wolken in de ochtend en aan het eind van de middag. Anders zou het niet om uit te houden zijn geweest. Voor der afwisseling dit keer een echt zandstrand. Griekenland kent ze in alle soorten en maten. Mijn voorkeur hebben inmiddels de paralia met heel grof zand, net geen kiezels. Daar is het water altijd hartstikke helder, ook al staan er stevige golven. Deze reis is de meest vakantie-achtige geweest. Ik heb ook veel gezien maar ben veel vaker dan andere keren ergens een paar dagen blijven staan. Aan zee natuurlijk! De redenen zijn simpel: het weer en altijd is wel een kust nabij. Mooie vooruitzichten voor volgend jaar. Ik heb al wat op de kaart zitten kijken. Turkije lonkt.
Afgezien van de prijs van het nieuwe onderdeel bedroeg het arbeidsloon 20 euro. Daarvoor zijn 2 mensen 3 kwartier bezig geweest! Dezelfde ervaring had ik bij de kapper, 5 euro geknipt en geschoren. Nou was het wel een hele simpele kapper. De coupe is er niet minder om. En dat allemaal in gebarentaal. Hij sprak werkelijk geen woord niet-Grieks. Wat opvalt, is dat je overal cash moet betalen. Natuurlijk niet bij de Lidl, alhoewel ik wel altijd de enige ben die pint. Zou er een samenhang zijn? Lage inkomsten en geen krediet meer bij de bank?
Tot slot Dion aangedaan. De ommuring, wat heiligdommen en grote kasten van huizen in de binnenstad zijn bloot gelegd. De hele stad ligt er nog, onderaan de voet van het Olympus gebergte en had een nauwe band met het godengezelschap daar boven. Alexander de Grote heeft er Zeus verzocht zijn zegen uit te spreken aan het begin van zijn veroveringstocht. Uren rondgedwaald over het enorme opgravingsterrein. Overal zie je nog geplaveide straten. Wat me echt bij is gebleven, is de vondst van een heus orgeltje uit 100 v. Chr. Nooit geweten dat dat toen ook al bestond.
Zowat de hele week doorgebracht op het schiereiland Mani(s). Omdat een paar Oostenrijkers me hadden verteld dat er weinig of geen leuke overnachtingsplaatsen zijn, was ik eerst met auto alleen op verkenning gegaan. Hun verhaal klopte. Toch vond ik wat door als maar een zijweg in te slaan, richting water. En zo waar, ineens stuitte ik op een kleine haventje met een beide kanten twee zeg maar eenpersoons-strandjes. Na de caravan te hebben opgehaald, ben ik iedere dag vandaar op stap gegaan.