Vaak kom je iets tegen wat niet in het programma thuis hoort, maar desondanks niet te versmaden valt. Van de week was dat een luchtvaartmuseum en een kanaal-aquaduct (het heeft een echte naam, ik weet het niet meer). Het RAF-museum besteedde veel aandacht aan afgeblazen projecten die Engeland -na
het debacle met het eerste passagiersvliegtuig met straalmotoren, de Comet, dat helaas verschillende keren door metaalmoeheid in de lucht uit elkaar spatte- weer op de kaart moest zetten als bouwer van gevechtsvliegtuigen. Een enorme hal was
volgehangen met een stukje recent verleden, de Koude oorlog. Vriend en vijand staan nu broederlijk naast elkaar. Je kan je bijna niet voorstellen dat het nog maar 20 jaar geleden is, het lijkt al weer langer. Jongeren van nu zullen zich wel afvragen, waar ging dat allemaal over. Maar leuk voor oudjes zoals ik.
Het aquaduct van Pontcysyllte is een van de vele -we zitten vlakbij Coalbrookdale met de Iron Bridge- hoogstandjes uit het begin van de industriële revolutie, eind 1700 begin 1800. Het overbrugt een dal met een rivier en vormt het verbindingsstuk in een kanaal voor de typische narrow boats. Een wonderlijk transportsysteem dat qua maat en omvang helemaal op elkaar afgestemd was. De kleine bootjes pasten precies in de kanaaltjes, sluizen enz. Hetzelfde systeem kent Frankrijk maar dan voor een veel groter scheepstype, de Spits. De een paar honderd meter lange ijzeren bak van net iets meer dan 2 meter breed, die bovenop tientallen meters hoge pilaren ligt, is nog steeds in gebruik. Maar nu voor pleziervaart.
Het was tegelijk mijn kennismaking het Offa’s Dyke. Een soort Hadrian wall, langer maar wel alleen van aarde op de grens van Engeland en Wales. Hij is aangelegd rond 790 na Chr. De functie ervan was niet de een of de ander buiten de deur te houden, want er ontbreken hele stukken. Naar het schijnt bewust en met het oogmerk onderling verkeer van mensen en goederen te reguleren. Het is maar hoe je het bekijkt. Een neef heeft vorig jaar de hele route gelopen. Hij heeft hiervan een uiterst leesbaar en interessant verslag op papier gezet. Ik denk dat ie dat wel beschikbaar wil stellen aan mensen die zich hierop willen stukbijten.
Dus in Wales aangekomen. De een na de andere onuitspreekbare plaatsnaam met dubbele LL-en en ritsen van medeklinkers achter elkaar zie ik voorbij flitsen. De dubbele LL spreek je uit als sj, dat scheelt al weer.Wales had de bijzondere belangstelling van de Romeinen vanwege de metalen in de
grond. Bij Llandudno is men zo’n kopermijn aan het uitgraven. Sinds plus minus 2500 voor Chr. zijn hier mensen in de weer geweest om de aders malachiet en andere
koperverbindingen tussen vnl. kalkgesteente weg te hakken met hertengeweien en grote kiezelstenen. Echt ongelooflijk. Aanvankelijk in de vorm van dagbouw, maar later via gangetjes tot 50 meter diep onder de grond. En misschien wel dieper, maar zover is men nog niet met het blootleggen van de Great Orme mijn.Antwoord gekregen op mijn vraag hoe die metaalrijke aderen kunnen voorkomen in de kalksteen. Het zijn 2 verschillende processen. Het binnenste van de aarde bestaat uit een kern van zware elementen, waaronder metalen. In de stenen buitenschil kwamen in de loop van de miljoenen jaren door aardbewegingen en drukverschillen kilometers diepe scheuren en spleten. Die zijn volgelopen met dat vloeibare spul uit de aardkern, dat een weg naar boven vond en daar stolde.
Het weer is een groot verschil met vorig jaar. Een aantal dagen was het eigenlijk te heet o
m wat te doen. Daarom blijven hangen bij een dolmen in de buurt van Llanfairpwllgwyngill. De volgende dag zelfs aan het strand gezeten en in zee gezwommen.
Ik zit nu in Caernarfon, waar de Romeinen een fort in stand hielden om de haven te bewaken, die gebruikt werd als stapelplaats voor het koper. Het is de bekende plattegrond, rechthoekige ommuring, 4 poorten, 2 doorgaande wegen, barakken, werkplaatsen en graanschuren, het admini
stratief centrum met de kluis in de kelder, de woning van de garnizoenscommandant en het onvermijdelijke badhuis, net als de latrine. In het leger werd een eigen god onder soldaten vereerd: Mithras. Van oorsprong Perzisch. In Iran leeft de traditie nog. Een paar jaar geleden ben ik daar in een sportschool geweest waar men geritualiseerde oefeningen deed met knotsen/zwaarden en schilden.
Boekentips van de week: Stiletto libretto van Bavo Dhooge (een Belg) en De twaalf stoelen van een Russisch duo Ilja Ilf & Jevgeni Petrov (uit 1928!).
Zoektocht naar de ideale cheesecake wordt voortgezet.























































als je je realiseert dat beide gebouwen nog 2 keer zo hoog waren; de bovenste, kwetsbaarste delen – de onderkant is uitgehakt uit de rotsen – zijn door o.a. aardbevingen ingestort. Wel zijn er fraaie mozaïeken gevonden waarvan er een paar nog liggen. Zoals dat van de 7 planeten (we weten nu dat de zon daar niet bij hoort), de 7 dagen van de week. De badhuizen hebben een omvang die in verhouding staat tot de grootte van de stad. Daarom is het moeilijk er een beeld van te krijgen hoe ze in elkaar zaten.


De enorme foto’s waren op zich best aardig maar konden voor mijn gevoel niet op tegen de verstilde slapers in de grafkapel. In Bilbao meldde ik al dat ArcelorMetall
nadrukkelijk aanwezig is, hier doet de staalreus Thyssen- Bornemisza een duit in het zakje met een uit de kluiten gewassen stuk lasersnijwerk.
Romeinen is een amfitheater, eenderde van dat in Italica, teruggevonden, stukken stadsmuur en -poorten. Wat het bijzonder maakt, is de aanwezigheid van een necropool, een dodenstad, een begraafplaats. In de rotsen zijn honderden graven uitgehakt, van klein tot een paar hele grote. De grootste is gewijd aan ene mevrouw Servillia. Haar beeltenis, zonder gezicht is teruggevonden. Bovenop de grafkelders hebben bouwsels/huisjes gestaan; die zijn allemaal verdwenen. Begraven was ook toen een hele rite. De dode werd voor de verbranding mooi aangekleed en kreeg een munt in de mond mee om bij de onderwereld de bootsman, die de doden overvaart naar het hiernamaals, te kunnen betalen. De resten werden vervolgens in urnen gedaan. Deze werden gewoon in de grond begraven of bijgezet in een (familie)graf of bovenin een altaar geplaatst. Servillia staat op zo’n altaar. In de urn werden dingen gelegd waaraan de gestorvene bij leven gehecht was. De urn kon een aardewerken, glazen (zie blog 25082008) of metalen pot zijn, maar net zo goed de vorm hebben van een kistje. Er zijn zelfs bronzen koppen gevonden.
van frustraties over een verloren oorlog. Het paleis Madinat (eigenlijk dubbelop) Al-Zahra staat een km of 10 buiten Cordoba. Na anderhalve generatie bewoning door Abd al-Rahman III en zijn zoon is het rond het jaar 1000 verlaten. In feite is er niet zo veel over van het paleis. Het meeste is hergebruikt in Cordoba. Maar wat achter is gebleven, is de wandbekleding die aan de binnen- en buitenkant van de gebouwen was aangebracht. Een heel sierlijk en luchtig snijwerk in steen. Het ligt er in honderdduizenden kleine stukjes. Je gelooft of niet, maar men probeert deze puzzel weer in elkaar te zetten en zo de gebouwen te reconstrueren.
ontmoetten ze elkaar als echte overwinteraars en maken dan een lange wandeling. Cerro de Villa is een prachtige site, waar een paar zaken opvallen. Op het terrein zijn 2 badhuizen, een direct gekoppeld aan het woongedeelte van de eigenaar en een vrijstaande voor alle werknemers op de herenboerderij. Voor het eerst dat ik een een familiegraf zie. De grafkapel is verdwenen maar in de fundering ervan zijn de nissen gevonden waarin de urnen van de overledenen werden bijgezet. De Romeinen verbrandden van oorsprong hun doden. Pas in de 3e eeuw na Chr. gaan ze ook begraven.





De eerste nacht bracht ik door op een stoffig parkeerterrein, samen met tientallen collega-renteniers. Ik dacht dat ik met iets omvangrijks op pad was, maar dat valt vies tegen. De nieuwste, uit de VS overgewaaide, trend is achter je ‘stadsbus’ ook nog een klein autootje met te sleuren. Daar steekt mijn ligfietsje maar schril bij af (maar trekt wel meer belangstelling; al een paar keer een showtje gegeven).


