Portugal ligt achter me; ik zit de hele week al in Spanje. De entree was gelijk goed. Op de kaart staan wel eens dingen, die ik bij mijn voorbereidingen gemist heb. Een dolmen bijvoorbeeld. Op weg er naar toe kwam ik terecht in Niebla. Een stadje binnen de muren van een oorspronkelijk Moors fort met 5 hoofdpoorten en
iets van 50 vestingtorens. Gek dat het in geen enkele reisgids voorkomt. Omdat h
et museum annex VVV pas om 15.00 uur open ging, zelf op zoek gemoeten naar de dolmen del Zacarron de Soto. Opnieuw dreigde ik het niet te vinden. Maar dan aan de andere kant van de grote weg, aan de andere kant dan op de kaart staat, een bordje. Open van maan- tot vrijdag van 10 tot 14.00 uur. Als een speer een weggetje van 2 km afgehobbeld om nog op tijd te zijn. Gesloten buiten het zomerseizoen. Dat is zonde, want hier was het mogelijk geweest de dolmen in te gaan. M’n uitschuifbare ladder nog gepakt en het hek over geklommen; alles verlaten en goed op slot.
Italica de stad, waar de latere keizers Traianus en Hadrianus zijn geboren, is gigantisch (leeg). De hele stad is gebruikt als steengroeve voor het verderop gelegen Sevilla. Wat resteert zijn de imposante, betonnen karkassen van een amfi- en een echt theater. Zeker
als je je realiseert dat beide gebouwen nog 2 keer zo hoog waren; de bovenste, kwetsbaarste delen – de onderkant is uitgehakt uit de rotsen – zijn door o.a. aardbevingen ingestort. Wel zijn er fraaie mozaïeken gevonden waarvan er een paar nog liggen. Zoals dat van de 7 planeten (we weten nu dat de zon daar niet bij hoort), de 7 dagen van de week. De badhuizen hebben een omvang die in verhouding staat tot de grootte van de stad. Daarom is het moeilijk er een beeld van te krijgen hoe ze in elkaar zaten.

Rond de opgraving wordt duidelijk door omwonenden actie gevoerd onder de leuze: No traslado … Ik ben er niet achter kunnen komen wat het betekent; het is echt opvallend hoe weinig – eigenlijk geen enkele – Spanjaarden Engels spreken. Sevilla heeft een mooi archeologisch museum. De toerist buiten het seizoen treft het dan niet.
Net als elders is een groot deel gesloten vanwege renovatie en wisseling tentoonstelling. Zo maar een greep uit de collectie: de beelden van Venus en Mercurius en een mozaïek afbeeldend het oordeel van Paris. Interessant waren 2 zaaltjes, een met ex voto’s met voetafdrukken waarmee mensen hun heil zochten bij een of andere godheid en een ander met in brons gegoten wetten en verordeningen. Zoals het reglement aangaande de handel in gladiatoren. Alhoewel Rik Zaal in zijn reisgids het mooiste van het Monasterio de la Cartuja de 5 porseleinovens vindt – anderhalve eeuw geleden werd het klooster omgedoopt in een aardewerkfabriek – was ik toch benieuwd naar dit centrum voor hedendaagse kunst in Sevilla. Het wordt aangeprezen als een dialoog tussen de nieuwe, hedendaagse stijl en de rijke stem van het verleden. In hoeverre beide iets met elkaar van doen hebben, laat ik in het midden. De leegheid van de nieuwe tijd, de wijze van exposeren lijkt me veelzeggender.
De enorme foto’s waren op zich best aardig maar konden voor mijn gevoel niet op tegen de verstilde slapers in de grafkapel. In Bilbao meldde ik al dat ArcelorMetall
nadrukkelijk aanwezig is, hier doet de staalreus Thyssen- Bornemisza een duit in het zakje met een uit de kluiten gewassen stuk lasersnijwerk.
Het voormalige klooster staat midden op het terrein van de Wereldtentoonstelling 1992. Wat een rotzooi geeft dat, bijna 20 jaar na dato. Al die extravagante gebouwen van destijds daar moest wat mee. Een bierbrouwer zag er wel een leuk recreatiepark in, de ander faculteitsgebouwen en ondernemers van allerlei soorten en maten leuke bedrijfspanden. Nog steeds is niet alles in hergebruik. Ik denk dat overheid iets culturelers in gedachten had; naast het kunstcentrum liet ze een nieuwe schouwburg verrijzen.
Over ‘onze’ Zwaan is al veel ter berde gebracht. Hier staat de oermoeder van dit soort éénpylons bruggen, ontworpen door Calatrava. En ja, het is waar, dit is echt andere koek. Je hebt geen idee hoe hoog de pijler is; ik heb gelezen 140 meter. De gewaagdheid van de totaal vrij achteroverhellende pijler is ongelooflijk; uit die kracht wordt het vermogen ontwikkeld om met betrekkelijk weinig tuien de brug te dragen.
30 km verderop wacht Carmona, het centrum van de Tartusen. Van hen is heel weinig bekend, dan dat ze door Cathagers en Romeinen vernoemd zijn. Het is tot en met de middeleeuwen een vestingstad geweest, waaruit de hele geschiedenis van Spanje valt af te lezen. Van de steentijd tot de 500 jaar Moorse overheersing en de herovering door de Christen koningen.
Van de
Romeinen is een amfitheater, eenderde van dat in Italica, teruggevonden, stukken stadsmuur en -poorten. Wat het bijzonder maakt, is de aanwezigheid van een necropool, een dodenstad, een begraafplaats. In de rotsen zijn honderden graven uitgehakt, van klein tot een paar hele grote. De grootste is gewijd aan ene mevrouw Servillia. Haar beeltenis, zonder gezicht is teruggevonden. Bovenop de grafkelders hebben bouwsels/huisjes gestaan; die zijn allemaal verdwenen. Begraven was ook toen een hele rite. De dode werd voor de verbranding mooi aangekleed en kreeg een munt in de mond mee om bij de onderwereld de bootsman, die de doden overvaart naar het hiernamaals, te kunnen betalen. De resten werden vervolgens in urnen gedaan. Deze werden gewoon in de grond begraven of bijgezet in een (familie)graf of bovenin een altaar geplaatst. Servillia staat op zo’n altaar. In de urn werden dingen gelegd waaraan de gestorvene bij leven gehecht was. De urn kon een aardewerken, glazen (zie blog 25082008) of metalen pot zijn, maar net zo goed de vorm hebben van een kistje. Er zijn zelfs bronzen koppen gevonden.
De een zegt dat ie het uit liefde deed, de ander heeft een minder prozaïsche verklaring. Overcompensatie
van frustraties over een verloren oorlog. Het paleis Madinat (eigenlijk dubbelop) Al-Zahra staat een km of 10 buiten Cordoba. Na anderhalve generatie bewoning door Abd al-Rahman III en zijn zoon is het rond het jaar 1000 verlaten. In feite is er niet zo veel over van het paleis. Het meeste is hergebruikt in Cordoba. Maar wat achter is gebleven, is de wandbekleding die aan de binnen- en buitenkant van de gebouwen was aangebracht. Een heel sierlijk en luchtig snijwerk in steen. Het ligt er in honderdduizenden kleine stukjes. Je gelooft of niet, maar men probeert deze puzzel weer in elkaar te zetten en zo de gebouwen te reconstrueren.
En dan als klap op de vuurpijl: het Mezquita, een kerk die moskee werd en weer kerk. Nog even imposant als de eerste keer dat ik haar/hem (?) zag.
De Santa Semana is begonnen. De eerste processie zit er op. 18 zwoegende mannen verstopt onder een laken. Een kinderlijke Maria. En verder voornamelijk vrouwen in het gevolg. Volgens mij is een uitje geworden; mensen komen even kijken en haken na een half uurtje weer af. Maar misschien is dat altijd wel geweest. Volgens goed gebruik wordt Christus op Palmpasen door juichend volk met palmtakken ingehaald. Hier worden deze ook echt uitgereikt. Wij volstonden in onze jeugd met een lauriertakje of zo; dat paste ook beter achter het wijwaterbakje.
Zondag 29 maart 2009
Waar waren we gebleven? Vorige week was er eigenlijk weinig wetenswaardigs te melden. Inmiddels van de westkust van Portugal de hele zuidkant, de Algarve, aangedaan. Morgen betreed ik Spanje, met als eerst bestemming Sevilla. Deze week bestond het hoofdmenu uit een drietal villa’s rustica. Te weten Abicada bij Figueira, Cerro da Vila in Vilamoura en Milreu in Estói. Van villa Abicada was niet veel meer te zien; het hele terrein is weer overgroeid. Ik heb het ook niet zelf kunnen vinden. Op de vouwfiets -de ligfiets blijkt hier niet echt handig op zandwegen en berg op berg af- weer eens de binnenlanden ingetrokken, maar welk pad ik ook nam niets te vinden. Totdat ik zomaar out of the blue een ploegje Noren en Zweden tegenkwam. Dezen bleken te voet op weg naar waar ik op zoek naar was. Elke dinsdag
ontmoetten ze elkaar als echte overwinteraars en maken dan een lange wandeling. Cerro de Villa is een prachtige site, waar een paar zaken opvallen. Op het terrein zijn 2 badhuizen, een direct gekoppeld aan het woongedeelte van de eigenaar en een vrijstaande voor alle werknemers op de herenboerderij. Voor het eerst dat ik een een familiegraf zie. De grafkapel is verdwenen maar in de fundering ervan zijn de nissen gevonden waarin de urnen van de overledenen werden bijgezet. De Romeinen verbrandden van oorsprong hun doden. Pas in de 3e eeuw na Chr. gaan ze ook begraven.
Villa Milreu heeft wat andere weer niet of veel minder hebben: mozaïeken. Bij een villa dacht ik vooralsnog aan een herenboerderij, nu tendeer ik meer naar een soort landadel. Men voelde zich nauw verbonden met de elite in Rome, gelet op de vele bustes van vooraanstaanden die men in huis had. Men hield hof op grote schaal. Niet voor bezoekers uit de buurt, want die waren er maar weinig van hetzelfde formaat. Dus voor magistraten die het zich konden veroorloven te reizen en er belang bij hadden banden te onderhouden. De schaalgrootte van dit soort landbouwbedrijven was er ook naar. Om er een voorstelling van te maken, kan je eerder denken aan een
soort kolchoz met honderden werknemers, maar dan ten behoeven van de voedselvoorziening van het Romeinse rijk. Voorts wie anders bouwt er een heuse kerk naast zijn huis?
Hier is ook weer een columbarium gevonden. Zelfs 2, blijkbaar heeft zich in de loop van de eeuwen een wisseling van de wacht voorgedaan. In het oog springen altijd weer details. Nu het met mozaïek beklede bad, de resten van met marmer beklede
wanden (geen lullig beschilderd stucwerk) en de bak waarin druiven met voeten werden getreden.
Ook beter dan elders is de ontwikkeling in de tijd te zien. In 3 eeuwen werd het nodige aan het pand versleuteld. Zo ligt de eetzaal (triclinium) in de 4de eeuw aan de westzijde van het peristylium (centrale op hof met tuin/waterpartij), terwijl die zich aanvankelijk juist aan de oostzijde bevond (in kleiner formaat, waarschijnlijk te klein om fatsoenlijk gasten te kunnen ontvangen).
De villa was veel groter van omvang dan wat meestal is blootgelegd, het pars urbana, woongedeelte van de eigenaar. Er omheen stonden stallen voor dieren en opslag/bewerking van de oogst. En natuurlijk de huisvesting van de landarbeiders, al dan niet slaaf, horige of gastarbeider. Naar deze laatsten en de werkplekken gaat tegenwoordig meer en meer de aandacht uit. Hoe de rijken leefden is wel duidelijk, maar dat geldt niet voor de gewone man. De waterbehoefte van dit soort villa ’s moet gigantisch zijn geweest.
Met name voor bevloeiing van het land. Het grootste probleem was nog niet het water van de bron naar de villa te krijgen en voldoende druk op te bouwen om fonteinen te laten werken, Belangrijker was er het hele jaar over te kunnen beschikken. Voor villa Cerro was in het achterland een stuwmeer met stuwdam aangelegd. Bij Mérida in Spanje functioneert die tot op heden ten dagen. Tussendoor nog van alles en nog wat bekeken. De meeste musea vielen wat tegen. Dat gold ook voor Tumulos de Alcalar. Zo te zien een redelijk recent bezoekerscentrum bij een gerestaureerde graftombe uit de bronstijd.
Er wordt gewerkt aan nog een 2de. Ze maken onderdeel uit van een veel groter grafveld dat zich in de omgeving uitstrekt; die percelen zijn omheind maar er wordt niets gedaan. Ik denk dat het heel interessant is geweest om de grafheuvel te reconstrueren, maar nu die klaar is, is het toch niet veel meer dan een heuveltje waar je via een gangetje in kan kijken.
Ter aanvulling op de steentijdgraven van vorige week hier nog een fotootje van hoe men opgevouwen en op de zij in zo’n graf werd neergelegd.
De weldaad van deze week: de waterzak. Ik had dat ding al tijden bij me maar nooit gebruikt.
Onlangs maakte me m’n jongste zus erop attent. En inderdaad een super handig ding. ‘s-Morgens vul je de zak met water en legt hem achter de voorruit op het dashboard in de zon om op te warmen. En ‘s-avonds heb je dan heerlijk warm, nee zelfs heet water om te douchen na een partijtje zwemmen in zee.
(Gemaakt onder het schijnsel van een straatlantaarn, met dank aan de gemeente Altura, zij stelt hier de hotspot gratis en voor niets beschikbaar.)
Maandag 23 maart 2009
Ronald ligt nog steeds in het ziekenhuis; het gaat iets beter maar het postoperatieve abces blijkt maar moeilijk adequaat aan te pakken. Hij is er nog wel even zoet mee, naar ik inschat. Dan is mijn leventje van de week wel van heel andere orde geweest. Na Mirobriga ben ik naar de kust gereden, naar Porto Covo. Een klein dorpje, dat zich mag verheugen op de warme belangstelling van de linkse intelligentsia in Portugal. Er is zelfs een lied over gemaakt door een bekende zanger. Niet dat ik er iets van gemerkt heb, maar je bekijkt die schattige nieuwbouw villaatjes ineens met wat andere ogen.
De eerste nacht bracht ik door op een stoffig parkeerterrein, samen met tientallen collega-renteniers. Ik dacht dat ik met iets omvangrijks op pad was, maar dat valt vies tegen. De nieuwste, uit de VS overgewaaide, trend is achter je ‘stadsbus’ ook nog een klein autootje met te sleuren. Daar steekt mijn ligfietsje maar schril bij af (maar trekt wel meer belangstelling; al een paar keer een showtje gegeven).
Was het parkeerterrein niet veel soeps, de omgeving slaat echt alles.. Prachtige stranden in door hoge rotsen omzoomde baaien. De volgende dag er op uitgetrokken om in de buurt te komen van een eiland, Ilha de Pesseigueiro (van de perziken), waarop de resten van een Romeinse boerderij zijn te vinden. Waar ik toen terecht kwam, sloeg echt alles. En het bleek ook nog mogelijk daar te blijven staan met de caravan. De hele week ben ik niet ik niet veel verder gekomen. Wat wil je, een strand voor jezelf, een enorme zee voor deur en
weergaloos weer. Ik had jullie graag vergast op enkele fotootjes van mij. Helaas. Niemand in de buurt om een foto te maken. Maar goed ook, want wie kan je dat met goed fatsoen vragen. Bloot is toch weer wat anders dan obligaat voor een kerk met je kleren aan. Wie moet je kiezen:
de kerel die z’n vriendin staat te fotograferen of net andersom, het oudere echtpaar die beiden met opgerolde lange broek het strandleven beleven, de moeder met kinderen, een van de 3 vriend(inn)en die samen uit zijn of nou net die ene man of vrouw, die ook alleen ligt te zijn. Dat is één, want in welke pose moet het allemaal gebeuren: gezellig in je zwembroek op je badlaken, al lezend of lekker spetterend in zee?. Ik ben er nog niet uit; misschien heeft een van de trouwe lezers een suggestie.
Het eiland bleek onbereikbaar. Met m’n rubberbootje heb ik nog een poging gewaagd ernaartoe te roeien, maar het was ondoenlijk om aan te landen. Het eiland was omgeven door scherpe vulkanische rotsen. Het enige ouds van de week
was een nederzetting met een begraafplaats uit ongeveer 1200 voor Chr.
Dan maar tot slot een voorbeeld van een klein, dagelijks genoegen: het broodrooster. Een halfje bruin kennen ze hier niet. Als je brood koopt krijg je aantal kloek gesneden boterhammen. Op je eentje doe je daar makkelijk een week mee. Dus na een paar dagen wordt het ontbijt een gevecht. De oplossing: het uitvouwbare broodrooster van Primus. Even het vuur hoog en wat eens taai en onverteerbaar leek, wordt heerlijk zacht van binnen en krokant van buiten. Ook weer opgelost.
Ik weet dat iemand zit te wachten op hoe het me met mijn poep-en-pies-doos vergaat. Koot (van Bie) heeft daar eens uitgebreid aandacht aan besteed op de Bescheurkalender. Ik verklap nog niets, maar het kan nog veel en veel erger…
Maandag 16 maart 2009
Begin van de week een paar dagen op bezoek geweest bij oude vrienden in Lissabon. Het plan was dat Ronald een stukje mee zou reizen. Een onverwachte oproep voor een galblaasoperatie gooide roet in het eten. Maandagmiddag laat ging hij onder het mes en dinsdagavond zat ie al weer mee aan tafel in een restaurant te eten. Pijnlijk maar het ging. Blijkbaar heeft hij toch te veel van zichzelf gevergd, want net krijg ik bericht dat hij weer opgenomen is met forse infectie.
Had ik mijn reis nog wel zo degelijk, virtueel voorbereid. Blijken er onderweg nog veel meer vindplaatsen van allerhande oudste zijn. Zo groeit mijn belangstelling voor de Keltiberiërs (vorige keer noemde ik ze Lusitaniërs, maar het gaat nog steeds over dezelfde mensen). Mede omdat er hier erg veel van te vinden is. Niet altijd even makkelijk en soms helemaal niet. Zoals eergisteren toen er nadrukkelijk iets werd aangekondigd. Weg af, na een paar kilometer gaat de asfaltweg over in een zandpad, fiets gepakt, weer kilometers gereden maar niets te vinden. Schijn ik volgens plaatselijke ingewijden toch net te vroeg de moed te hebben opgegeven.
Portugal is een waar camperland. Je kan/mag overal staan, tot pal aan het strand. Al 2 keer ben ik een soort
kolonie terechtgekomen. Hoe zuidelijker ik kom, des te meer staat me dat wachten naar ik heb vernomen. Gelukkig zijn de meesten nogal bangelijk en durven niet ergens op hun eentje te overnighten. Van de week het waarlijk wonderschone Mirobriga bij Santiago do Cacem bezocht. Dat moet in de toekomst nog veel en veel interessanter worden als er meer wordt blootgelegd. Dan komt er echt een stadje uit de grond te voorschijn. Alhoewel je nu ook al een goed beeld kan vormen van straten met daaraan grenzende winkels, het forum met tempels en administratieve gebouwen. Op het laagste punt -om verzekerd te zijn van water-weer badhuizen.
Na zoveel badhuizen begin je er wat oog voor te krijgen, maar deze zijn werkelijk prachtig. Met name omdat de functionele opbouw goed zichtbaar is. Probeer je in te leven aan de hand van de foto’s. Op de overzichtsfoto kom je opzij achter de ronde kamer (vestiaire?) op de voorgrond binnen in de kleedruimte met banken aan zijkant. Daar weer achter, onder het golfplaten dak een koud bad. Naar rechts en weer naar voren resp. warme en hete ruimten met opnieuw baden. Op een andere foto zie je door het gat in de vloer dat er onder de vloeren door warme lucht cq. rook van houtvuren kon stromen. En als je goed kijkt, zie je midden boven de voorzetmuur waarachter de warme lucht ook weer omhoog trok. Op het eerste gezicht lijkt dit principe heel eenvoudig, maar het was in de praktijk een heel gedokter om de circulatie zo te krijgen dat alles egaal verwarmd werd. Een kleine kilometer van het stadje vandaan ligt een van de weinige hipodromen (renbaan voor paardenraces), die op het Iberisch schiereiland teruggevonden zijn. Eigenlijk is daar niets meer van de zien, dan alleen met wat goede wil de buitenranden en het middenperk waaromheen rond werd gereden met meerspannen. Gelukkig stond er een bord.
Nog drie andere dingen die ik bezocht, zijn het vermelden waard. Allereerst een streekmuseum in Odrinhas, waar grafmonumenten zijn verzameld. Eigenlijk was het museum voor herstel gesloten maar toch werd het licht overal aangedaan en kreeg ik een persoonlijke rondleiding in het Engels. Ik hoopte dit keer bij Setubal Troia te kunnen bezoeken. Zeven jaar geleden had ik er al eens voor een dichte deur gestaan. Nu dus weer; er is echter ’n sprankje hoop. Elke eerste zaterdag van de maand zijn ze wel even open. Misschien ga ik er voor (terug). In de buurt
in Creiro overigens een veel kleinere viszouterij gevonden (stond niet op mijn lijstje, 2 sterren).
Het is opvallend hoeveel prachtige, nieuwe musea er zijn gekomen. Dan zie je dat Europees geld toch een goede bestemming krijgt. In Alcazer do Sal staat er zo een. Onder een klooster, nu pousade (luxe hotel),zijn over elkaar heen gebouwde heiligdommen van resp. die Lusitaniërs en Romeinen, Visigoten en Moren blootgelegd.
In een heilige bron uit de Romeinse tijd is een loden plaatje met inscriptie gevonden, waarmee een vervloeking werd uitgesproken. In dit geval blijkt iemand bestolen te zijn en roept ie goddelijke hulp in om z’n spullen weer terug te krijgen en de dader(s) te straffen.
Maandag 9 maart 2009
In Portugal aangekomen! Het land van de fado. Liederen vol van droefenis vanwege de pijn en de liefde(s) die geweest zijn, die nog komen moeten en die nooit zullen komen. Of zoals Rentes de Carvalho in zijn reisgids weer aanhaalt uit een Engelse: ‘Afghani humming along to a Billy Holliday record’.
Sta pal aan het strand. Zomaar ergens een klein zijweggetje ingeslagen. Kijken hoe de mensen hier zijn. In Galicië vond ik er niet veel aan. Wat de deur dicht deed, was mijn behandeling op een parkeerplaats in Santiago de Compostela. Er waren na veel gezoek 2 opties. Of een kelder in, maar die was niet hoog genoeg. Daarover zo direct meer. Of een slagboompje door en aanschuiven op een plek voor autobussen. Ik was niet binnen of er stoof iemand naar buiten, duidelijk gebaren makend dat ik daar niets te zoeken had. Toen ik teruggebaarde dat dat toch een beetje gek was omdat geen van de zeker 50 plaatsen geen een bezet was, ging ie even te raden bij zijn baas. Tenminste dat denk ik. Nee, geen pardon, kaartje inleveren en fort. Een alternatief kon ie me niet vertellen. Nog wat rondgereden maar Santiago stond prop en prop vol met auto’s. Dus ongezien achter me gelaten. Voor een reiziger die van zover is gekomen, is dat wel heel erg… Over te lage parkeergarages gesproken… Later op de dag dacht ik eventjes goedkoop te tanken bij een hypermarkt. Dat is op zich al een opgave. Deze liggen in Spanje net als in Frankrijk langs de grote weg. Maar er te komen is iedere keer weer een heel gezoek. Dat doen de Fransen wel beter. Stond ik eindelijk bij de ingang, garage te laag. Verderop zag ik gewone parkeerplaatsen. Daar naar toe. Er stond wel bordje max. 2 meter hoog. Maar ik dacht da’s voor het garagegedeelte. Nee, dus. Je kon er wel parkeren maar niet meer van het terrein af. Uitgezonderd de eenbaans inrit waren alle ander uitgangen inderdaad niet hoger dan 2 meter. Dat vinden Spanjaarden dus niet leuk als je tegen de draad in rijdt. Bijna had ik het gehaald maar op de laatste 10 meter dook ineens een tegenligger op. Hij is me met niet aangevlogen, hij was zo kwaad dat ie eventjes achteruit moest dat meerdere keren zijn motor afsloeg van nijd. Getankt heb ik uiteindelijk ook niet; moest je voor door de garage… Tot zover het hoofdstuk klein dagelijks leed.
Nog steeds weinig Romeinen. Maar dat wordt meer dan genoeg goed gemaakt door zgn. Lusitaniërs, zeg maar de bewoners van vóór de
Romeinse verovering van het hele peninsula. Vorige keer in Spanje trof ik ze vnl. aan op in zee uitstekende rotspartijen. In Portugal woonden ze meer in het binnenland op heuveltoppen. Bijna 30 jaar geleden bezocht ik al een keer eerder een van de vele plekken die teruggevonden zijn. Ze zijn nog steeds heel indrukwekkend om te bezoeken.Vaak zijn het hele dorpen, waar een paar duizend mensen hebben gewoond. Ze stammen uit ongeveer 1000 voor christus (late steentijd, vroege brons) en verkeren in hele goede staat, omdat ze wat afgelegen liggen. Een beroemde is Citania de Briteiros. Hiervan is heel aardige site beschikbaar: http://citania.csarmento.uminho.pt/ Door op een mannetje rechtsonder te klikken wordt een camera gestart die rondom een beeld geeft, als je met de cursor op de grote, liggende foto gaat staan. De kleine fotootjes linksonder kan je apart nog aanklikken. Van een van de bijzonderste onderdelen wordt net geen goed beeld gegeven. Dat zijn nl. de (rituele?) badhuisjes (de kiva’s van de indianen in Amerika?).
De tussenwanden zijn bewerkt en bestaan uit een grote plaat steen. De bewoningsvorm deed me heel sterk denken aan het platteland in Zimbabwe. En ik bedoel dan heden ten dagen. De overeenkomst met Greater Zimbabwe is zelfs heel treffend. Dat blijft iets wonderlijks die parallellen die je overal ter wereld ziet tussen al dit soort woonvormen. Het is of de duvel ermee speelt, maar ook hier liep ik bij tijd en wijle in de stromende regen rond
. Samen met nog 2 vrouwen van mijn leeftijd uit Australië; zij straften mijn chauvinisme direct af toen ik zei dat Europa wel heel veel te bieden heeft aan cultuur. Ach ja, typische Europese cultuur. De volgende dag nog een andere citania in Sanfins bezocht. Qua oppervlakte veel groter dan Briteiros en veel strakker georganiseerd. Met mooie brede haaks op elkaar staande straten en rechthoekige percelen. De hele site was ’s morgens vroeg nog gehuld in laaghangende nevelen. Ik waande me in de tijd van toen .
Maandag 2 maart 2009
Het voelt als een soort herkansing en dat is het ook natuurlijk. De zaak weer de rails krijgen na het ongeluk in Engeland had veel meer voeten in de aarde dan verwacht. Plus daarbij kwam, dat midden in de winter gaan kamperen geen aanlokkelijk idee was. Pas toen ik op de weerkaartjes de temperatuur zag oplopen in het zuiden van Spanje, begon het me te dagen. Als ik nu eens in een keer daar naar toe rij en vandaar langzaam weer naar boven, dan neem ik de lente mee terug naar huis. Makkeli
jker gezegd dan gedaan. In Frankrijk heb ik me nog kunnen inhouden. Maar eenmaal over de grens met Spanje vond ik het te moeilijk om van alles aan me voorbij te laten gaan met idee dat komt straks nog wel. Als je het Guggenheim-museum in Bilboa zomaar ineens diep onder je in het dal ziet liggen, ja dan ben je verkocht. Maandag de 23ste ben ik van start gegaan. Eigenlijk al de zondag ervoor, maar het stukje naar Haamstede, naar mijn moeder, telt niet echt mee. Vandaar ben ik naar Gent gereden om een aantal verhuisdozen met overtollige boeken bij Belgische wereldwinkel (Oxfam) achter te laten. Voor het eerst ben ik op pad met een nieuwe reisgenoot: de Garmin nuvi 250w. Goed voor heel Europa, alhoewel in het westen wat nauwkeuriger dan in het zuidoosten. Het begin was heel vertrouwenwekkend: tot aan Gent zijn we het maar één keer met elkaar eens geweest! Maar in Gent zelf was ie onovertroffen. De reis over de grote weg vervolgd naar de grens met Frankrijk. Van daar een route uitgezet naar Abbeville om de péage en Parijs te omzeilen. En dan leer je snel nog andere nukken of wijsheden van je reisbegeleider kennen. Met de kaart erbij toch nog een eind gekomen. Het blijkt van levensbelang hem de goede opdrachten te geven. En er is keuze zat. Wel of niet tolwegen of grote wegen. Een snellere of korter route. En zo zijn er nog wat opties. Na een week ervaring moet ik zeggen, dat het het apparaatje slimmer èn handiger is dan ik had gedacht. Maar heel af en toe is ie echt de kluts kwijt. Een afwijking is dat ie bij voorkeur dwars door binnensteden heen wil. Vandaag in Oviedo hem ook gebruikt al lopend, nl. van de auto die ik heinde en ver moest parkeren naar het museum en weer terug. De aangegeven route moet je dan maar niet volgen, want die is op maat van de auto gemaakt, maar je ziet wel waar je bent. Zoals al gezegd, ben ik in een ruk door Frankrijk gekard. Het enige wat met opgevallen is, is de ravage die de storm van afgelopen januari in Les Landes heeft aangericht. Ontzettend veel bomen zijn me wortel en
al omgevallen. Afgezien daarvan is het landschap wel wat opgeknapt. Alle gigantische reclameborden liggen nl. ook plat.
En dan kom je in Bilbao aan. Het Guggenheim is een kunstwerk waarbij alle binnen tentoongestelde kunst in het niet verdwijnt. Bijna de hele begane grond is gevuld met enorme stukken oud roest. Aangeboden door de staalgigant ArcelorMitall… Meters hoge platen gebogen in cirkels en golven, naar elkaar toe bewegend, dan weer uiteen wijkend. Ontzettend indrukwekkend en bijna magisch (Stone Henge-achtig). Maar waarom binnen en niet buiten? Als ik me goed herinner staat van dezelfde kunstenaar, Richard Serra, iets dergelijks op de Veluwe in het Kröller Muller. Dat is de plek voor zo iets. Het kan ook het Zuiderpark in Den Haag zijn, daar wil ik af zijn. Op de bovenste etage was werk te zien van een in Japan razend populaire kunstenaar Takashi Mutakami. Een wonderlijk mengeling van boeddhisme met stripfiguren of omgekeerd. Prachtig uitgevoerd, dat zeker. Maar de portee ontgaat ons als westerling. Daardoor laat het een beetje kitscherige indruk achter. De tussenetage werd net ingericht voor een veelbelovende nieuwe expositie: iets voor op de terugweg… De volgende stop was Santander. Op mijn lijstje stond een interessant archeologisch museum. Helaas bleek het vanwege verbouwing/verplaatsing (?) gesloten te zijn. Dan maar naar Oviedo, weer 200 km verder. Zonder duidelijk plan de stad ingereden. Wel natuurlijk als maar rondkijkend naar een plekje voor de nacht. In de praktijk laat ik het maar op aankomen. Mee
stal kom ik te laat aan om eerst de auto ergens neer te zetten en op de fiets verder te zoeken. Nu viel mijn oog ineens op een richtingaanwijzer: preromaanse monumenten (dus net na de Romeinen). Het bleken 2 kerkjes te zijn, schitterend uitgelicht door een al laag staande avondzon. Met als toegift een groot parkeerterrein. Tot een uur of acht raasde de plaatselijke jeugd om me heen met auto’s en brommers. Ik stond blijkbaar midden op hun hangplek. Me maar niet vertoond en om 8 uur waren te ineens vertrokken, zeker etenstijd. De volgende dag, zondag, was het heel ander weer, het regende. Dat is de hele dag zo gebleven. Toen ik in de middag met een paraplu rondliep op het oppidum Campa Torres (aan de kust bij Gijon), moest ik terugdenken aan de dag waarop ik in Engeland dat auto-ongeluk veroorzaakte. Oviedo beschikt over een fantastisch archeologisch museum. Tenminste qua gebouw, een gemoderniseerd, oud klooster naast de kathedraal. Maar er valt nauwelijks iets te zien, de helft van de zalen en waarschijnlijk meer staat gewoon leeg. Er was alleen een fototentoonstelling met wat attributen over de romeinse weg tussen Mérida via Oviedo naar Gijon. Helemaal treurig was dat ik bij de VVV niet duidelijk kon maken wat het verschil is tussen romeins en romaans. Uiteindelijk heb ik het foldertje over de romaanse kerken in en rondom de stad maar meegenomen. Daarom toch Gijon aangedaan. Het badhuis overgeslagen, misschien ten onrechte nu ik het boekje erover doorkijk. Het bezoek aan het oppidum en een villa in Veranes was meer dan de moeite waard. Helaas geen verpersoonlijkt beeld ervan te geven; op een onbedacht moment de foto’s gewist. Hopelijk biedt http://museos.gijon.es uitkomst soelaas. Ik heb mee nooit gerealiseerd -en me natuurlijk ook nimmer eerder afgevraagd- waarom dit deel van Spanje voor de Romeinen interessant was. Maar de reden is dezelfde als heden ten dagen: er zit van alles en nog wat aan grondstoffen zoals metalen in de grond. Caesar stelde de kust al veilig voor transport naar Gallië en Brittannia. Zijn opvolger Augustus bezette de hele streek. En nu verder langs de kust op naar A Coruna en vandaar zuidwaarts.
Zoek de verschillen
Over een week of 2 gaan we in de herkansing: overwinteren in zuid Portugal en Spanje. Een bezoek aan deze landen stond niet op mijn lijstje, omdat ik ze een paar jaar geleden al had aangedaan. Tijdens de inventarisatie van te bezoeken sites, bleek echter dat ik nog niet alles gezien had. Dat doen we dus nu.
Het heeft wat moeite gekost om de draad weer op te pakken. Allereerst moest er een nieuwe auto komen. Tegelijk heb ik de gelegenheid te baat genomen om ook de caravan op verschillende punten aan te passen.
De resultaat mag er zijn. Zoek zelf de verschillen.

In Engeland heb ik ervaren hoe handig een fiets is als je geen auto hebt. De vouwfiets, die ik bij me had, heeft toen goede diensten bewezen. Ik ga het nu ietsje anders aanpakken; ik heb een ligfiets gekocht.
Inmiddels gemerkt dat dat he
el wat anders is dan een normale fiets. Je rijdt er niet zomaar mee weg. Ook op medeweggebruikers moet je extra alert zijn; ze zien je niet omdat je veel lager zit en je gaat ook sneller. Dat wordt natuurlijk wat in landen waar veel minder gefietst wordt en nauwelijks fietspaden zijn.
Vrijdag 12 september 2008
Ik ben heelhuids thuis aangekomen. Volgend jaar mei/juni maak ik het resterende deel van Engeland af. Nu eerst een andere en sterkere auto zien te krijgen. Want de reis gaat verder. Daarvoor zijn de afgelopen 6 weken te goed bevallen.
Uiteindelijk ben ik op woensdagmorgen 10 september opgehaald. Een dagje later dan afgesproken.
Maar à la. Vervelender was dat de vrachtwagen niet de afgesproken spullen bij zich had om de zaak op de trailer te zetten. Echt onbegrijpelijk; d’r is tevoren uitgebreid over gekorrespondeerd. Voor de zekerheid door de alarmcentrale nog een keer nagetrokken. En dan toch dit. Met gevolg dat de chauffeur uren bezig is geweest om iemand te vinden met een kraan. Toen was het eigenlijk in wip gepiept en was het obstakel – de lage brug – genomen. En kon de terugreis worden aanvaard.
Jammer genoeg kon/mocht ik niet meerijden met de vrachtwagen. Hij heeft me wel een eind op streek geholpen door me naar een wat grotere plaats (Lancaster) te brengen, waar ik de trein naar Londen kon pakken. ’s Avonds laat daar aangekomen en een kaartje voor de Eurostar gekocht. Bewust de middagtrein genomen om ’s ochtends nog even
in het British Museum de tentoonstelling over Hadrianus te kunnen bekijken.
Een gouden greep bleek de volgende dag, want er brak brand uit in de Kanaaltunnel waardoor alle middagtreinen werden gecanceld. Daar zat ik dan in de wachtkamer met honderden anderen. Snel maar weer een kamer gezocht en nu een vlucht me EasyJet geboekt. Dat boeken was wel een aparte ervaring. Ik had eerst gekeken of er een stoel beschikbaar was. Toen dat het geval was, een paar uur aangezien hoe de brand zich ontwikkelde en daarna een ticket gekocht. Deze besluiteloosheid straft EasyJet meedogenloos af. Kostte om 17.00 uur het kaartje nog 95 pond, om 20.00 uur werd me al 127 pond in rekening gebracht.
Het verblijf in Ravenglass heeft natuurlijk veel te lang geduurd. Er was totaal niets te beleven. Ja, een reisje met een mini stoomtreintje. Maar dat was het dan ook wel. Het plaatsje zelf was prachtig. Ik kan nu wel aardig uit de voeten met de vlieger – een 2 meter groot vliegend matras – die ik in de auto vond. 
Bijzondere dank ben ik verschuldigd aan voormalig treinstation Ratty Arms, dat het mogelijk maakte in
de caravan te overleven. Ik kon daar water, stroom en internet gratis en voor niets krijgen. De eerst paar dagen hielpen Tearoom Rose Garth en hotel Pennington me uit de brand. Een paar plaatjes van ze is hier wel op z’n plaats.
Maandag 8 september 2008
Waar waren we gebleven? Een week geleden zat ik dus op een berichtje van de alarmcentrale te wachten met de mededeling wanneer ze me zouden komen ophalen. Wie schetste m’n verbazing dat er afgelopen donderdag plompverloren een grote trailer op het parkeerterrein in Ravenglass verschijnt. Ik heb dit allemaal uit de 2de hand, want zelf was ik er niet. Ik was met trein 25 km verderop boodschappen doen. Toen ik terug kwam, kreeg ik van omwonenden te horen dat de vrachtwagen weer onverrichter zake was vertrokken. De spoorbrug over de enige uitgangsweg was te laag voor trailer met daarop m’n caravan. Alleen de kapotte auto was meegenomen.
Afgelopen weekend hebben we druk overleg gehad via mail en skype hoe dit varkentje te wassen. Uiteindelijk is mijn suggestie overgenomen om de caravan verrijdbaar te maken door onder te
afzetpoten aan de voorkant van de caravan 2 lage, platte karretjes te zetten. Ik had zo’n karretje bij de garage in Engeland gezien. Dat was onder de wielophanging van mijn auto geschoven, op de plaats waar het wiel was afgebroken. De caravan wordt nu op de trailer gezet, bij de brug er weer deels afgereden, er onder door gesleept en vervolgens weer terug op de trailer getrokken. Ik hoop dat ze onderweg niet opnieuw een lage brug tegenkomen… Als het goed is, komt de trailer morgen -dinsdag 9 september- om 16.00 u in Ravenglass aan. De operatie start dan gelijk, zodat de vrachtwagen nog dezelfde avond richting Nederland kan vertrekken. Ik zelf ga de volgende dag met de trein naar huis. Tot zover de nieuwe plannen. Gisteren was het zowaar een aardige dag. Ik ben gelijk aan mijn fietstochtje begonnen. Langs de kust naar het noorden naar Sellafield en terug. De eindbestemming was een Keltische stonecircle, ergens midden in een weiland. Op Google Earth was de cirkel goed te zien. In het echt viel het tegen; hij werd helemaal niet onderhouden en was overgroeid door hoog gras. Er was geen weg of pad naar toe. Via een golfbaan ben ik er uiteindelijk terecht gekomen. Morgen dus de grote dag, spannend.
Dinsdag 2 september 2008
Het heeft wat voeten in de aarde gehad, maar alles is in kannen en kruiken. Binnen 2 weken worden zowel de auto als de aanhanger teruggebracht naar Nederland. Tot die tijd blijf ik hier de wacht houden. Waarschijnlijk reis ik met de vrachtwagen van de transporteur mee terug. De auto blijkt in tegenstelling tot eerdere berichten (nog?) niet total loss te zijn verklaard. Straks in Nederland wordt de schade opnieuw beoordeeld. Wat nog heel vervelend kan worden omdat ik al met de verwijderen van mijn spullen ben begonnen. Niet dat ze weer terug op hun plek moeten -de auto gaat hoe dan ook de deur uit vanwege de te lichte motor- maar soms heb ik wel heel simpele middelen gebruikt om iets los te krijgen. Het leven ziet er ineens stukken zonniger uit, nu het weer nog. Gisteren kreeg ik in de loop van de middag een SMS-je van de alarmcentrale dat alleen de auto zou worden opgehaald. Voor de caravan moest ik zelf maar zorgen. Omdat mijn mobieltje kapot is -wil niet meer opgeladen worden- kon ik niet direkt hierop reageren. ’s Avonds pas een mailtje kunnen sturen en vanmorgen bij iemand hier van huis gebeld. Na uitleg bleek het allemaal op een misverstand te berusten. Ze hadden de polis niet goed gelezen waarin duidelijk staat dat auto en aanhanger als één geheel zijn verzekerd. Na een week voornamelijk binnen zitten, ga ik komende dagen een fietstocht langs de kust maken. De route voert langs een aantal vestingwerken van de Romeinen aan de westkust. Ik nam altijd aan de muur van Hadrianus ophield bij Bowness. Nu blijkt dat tot Ravenglass ook de hele kust versterkt was met forten en wallen. Er is overigens nog meer te zien, zoals Keltisch cirkels van megalieten.
En ik kom langs Sellafield waar de nog steeds in opspraak zijnde opwerkingsfabriek voor kernafval staat. Als dat allemaal niet genoeg is, kan ik altijd nog gaan vliegeren. Tussen de rotzooi in de auto vond ik deze. Het leven in mijn huisje op wielen bevalt me tot nu toe prima. Alles, bijna alles, funktioneert. Vanmorgen bv. gewoon gedoucht na de zaak lekker warm te hebben gestookt met het kacheltje. En net ben ik klaar met het koken van Zuid-Afrikaanse visschotel, goed voor een dag of 5. Dus ik kan weer even vooruit. In het vriesvakje zat nog voorraad met kerry- en spaghetti-prutjes , zodat ik niet iedere dag hetzelfde hoef te eten. Tot nu toe heb ik me nog geen dag verveeld of behoefte gehad aan TV-kijken. Aan het huisje op wielen is altijd wel wat te prutsen en elke paar dagen is er weer een boek uit.
