Met mijn gasten is ook het lekkere weer vertrokken. Een week lang zeil- en motorden we tussen Mon en het
zuidelijkste puntje van Salland wat rond. We lieten Stubbekobing achter ons met het idee om voor anker te gaan bij Sandvig (de ‘mindere’). Na 3 pogingen hadden we het wel gezien en brachten de nacht door in het haventje van Nyord. Ik weet niet wat het is. Al eerder krabde het anker en waarschuwden buren me dat de boot ervandoor ging. Of het anker is te licht (maar waarom gaat het dan andere keren goed?) Of het pak wier op bodem is zo dik dat het anker de bodem niet bereikt. Het zijn zo de zorgen op het water.
Maar in het
haventje is natuurlijk altijd save. Tenminste als je de stank van rottend wier, dat zich juist daar verzamelt, voor lief neemt. Allemachtig wat kan dat meuren. Maar na een half uurtje merk je niet eens meer van; dan is dat ook weer normaal. In musea heb je wel eens van die kastjes die je open kan doen en de middeleeuwen ruikt. Bedrog dus want geen middeleeuwer heeft er ooit iets van gemerkt.
Even het kleine dorpje rondgewandeld. Komen we 3 campers met Italianen die net 2 dagen daarvoor van huis waren vertrokken. Hoe ze in Nyord terecht waren gekomen, was hen zelf ook een raadsel, geloof ik. En hoe ze verder moeten, is me evenmin duidelijk. Ze spraken alleen maar Italiaans. De volgende bestemming was Presto. Hemelsbreed 10, 15 km van Nyord. Met de boot doe je er wat langer over; je moet een enorme omweg door de Fakse Bocht maken vanwege ondieptes. Dat iets wat me ontzettend tegenvalt. Het lijkt hier net wel het IJsselmeer. Diepe geulen worden afgewisseld met uitgestrekte zandplaten. Als je even een tonnetje mist of denkt een stukje af te snijden, zit je aan de grond. Dat is me al meerdere keren -tot grote schrik van mijn reisgezelschap- overkomen. De hele dag gedaan over dat piepstukje. De wind zat ook nog tegen.
Het ankerplekje bij Sandvig was zorgvuldig uitgekozen als de ideale visstek. Mooi niet dus. Dan maar Presto. Op jacht naar palingen. De zorgvuldig gewelde zeepieren aangeregen en te water. Na uren nog steeds niets. Een keer heeft het topje van de hengel even zacht getrild. Het is maar goed dat er veel meer op het water te bekijken valt. Omdat we op de kop van de steiger lagen,konden we genieten van de verrichtingen van zeilschoolleerlingen. Gevorderden zeilen hier met spectaculaire bootjes die veel behendigheid vergen. Altijd met een van de 2 in de trapeze en even een verkeerde inschatting en daar kapseist de hele handel. Van iedere avond vis is niet veel terecht gekomen. Alhoewel, de gerookte makreel van de Aldi op een toastje is niet te versmaden.
Vanuit Presto ben ik nog een dagje op pad geweest. Weer iets heel anders ‘ontdekt’. Namelijk stukjes weg uit de oertijd.
Via Stege hebben we de terugreis aanvaard. Aardig plaatsje, kerk met heel primitieve fresco’s en een geinig museumpje met een bonte collectie van allerhande voorwerpen. Zoals de prijzenkast van een lokale cineast, een kamertje kinderspeelgoed en natuurlijk visgerei. Overigens de bovenverdieping met de archeologische collectie was uitmuntend. Mooie voorwerpen, goed toegelicht en 2-talig.
Hoe grillig het weer hier is, bleek die avond. Zo om een uur of 6 begint het in het zuiden te betrekken. Heel snel ontstaat een roetzwarte lucht en nog geen uur later
barst het los. Windstoten en regenbuien,zo heftig dat je de andere kant van de haven in soort mist nog net kan zien. Het is even snel voorbij als het gekomen is.
Zaterdagmorgen ben ik weer op mijn eentje. Het is heel gezellig geweest. Tijd om me verlaten te voelen, is er niet. Want zomaar uit de blue komt een Nederlandse vrouw op de fiets langs. Ze is even oud als ik en trekt ook op haar eentje rond. Bij een kopje koffie en resten taartjes van het net vertrokken bezoek, vertelt ze me uitgebreid over hoe vrij ze zich nu voelt na alle jaren van werk een man in huis, kinderen. ‘s-Middags steek ik over naar Harbolle. Vlakbij is net zo’n prachtig beschilderd kerk aan de Fane fjord. Iets andere stijl dan
in Stege, vermoedelijk
aangebracht tussen 13- en 1450. En zo mooi bewaard gebleven
omdat al snel na de reformatie de witkwast er overheen ging. Pas 90 jaar geleden werd de beschildering herontdekt. Samen met een Frans echtpaar -je moet een Christelijke achtergrond hebben- gaan we na welke scenes uit het Oude en Nieuwe Testament zijn afgebeeld. Ze blijken in dezelfde haven te liggen en nodigen met later uit op de borrel. Dus zo is het wel te doen.
Dinsdag 3 augustus 2010
Het is hier hollen of stilstaan. Na de winderige dagen van vorige week was het 2 dagen heerlijk weer. Dat heeft niet lang mogen duren want nu stormt het opnieuw. Erg veel last heb ik er dit keer niet van. Ik lig totaal van de buitenwereld afgesloten, op m’n eentje voor anker in een baaitje bij Blans, 3 huizen en een kroeg denk ik. Voor de zekerheid lig ik aan 2 ankers. Mooi de tijd om de visite van mijn jongste zus en zwager voor te bereiden. Waar ik ook aan toe gekomen ben, is Perzisch vuur van Tom Holland. Het verhaal over de eerste supermacht en haar strijd met het Westen, de Grieken m.n. Wat een verteller is die man! Zijn andere boek Rubicon over (het einde van) de Romeinse republiek en de opkomst van de vergoddelijkte keizers was al net zo meeslepend. Hij weet opeen aansprekende manier de geschiedenis van de hoofdrolspelers, Perzie, Athene en Sparta, te duiden in heel menselijke termen. De zeden en gewoonten waren dan wel anders dan heden ten dage. De herenliefde was bv. wijd en zijd verbreid en dan nog wel -in onze termen- van pedofiele aard. De machtsspelletjes, de na-ijver, de jaloezie, het verdeel en heers. Noem maar op, niets is en was ons mensen vreemd. Hij doet dat overtuigend. Het verwijt hiermee het verleden door een 21ste eeuwse bril te duiden, vind ik onterecht. Het lijkt me ook nu in deze tijd de enige manier om verschillen tussen landen, eigenlijk regio’s, en hun opvattingen te kunnen begrijpen, Enwel zodanig dat je er wat mee aan kunt en niet afglijdt in ongerijmde angsten voor het onbekende. Dat onze democratie een uitvinding is van zeden verwilderde Grieken, zou toch te denken moeten geven. Het is jammer dat het boek als een nachtkaars uitgaat. De minutieuze beschrijving van alle veld- en zeeslagen is een beetje te veel van het goede.
Na een dag lezen wil je er toch wel even uit. Vanaf Blans een stukje terug gevaren naar Kragenxe6s. Een plaatsje van 3 maal niks maar het heeft een -naar bleek- een heel prettige jachthaven. Van daaruit waren enkele mooie graven aan te fietsen. Voor het eerst een lekke band gekregen. Gelukkig op de terugweg. Ik blijk dus echt alles bij me te hebben. Dus ook zo’n rood wit doosje met bandenplakspullen. Ik denk dat het tweede keer van mijn leven was. Maar het lukte. In de buitenband zat
een stukje glas. Eigenlijk niet verwonderlijk. De Denen zijn echt heel keurig. Met maar een ding hebben ze moeite zich in het gareel te houden. Dat is bier drinken. Overal vind je
lege flesjes en blikjes in het verder zo aangeharkte land. Weer een paar prachtige hunebedden mogen aanschouwen. Al rond fietsend komt er natuurlijk van alles en nog wat op je pad. Wat denk je van een heuse klokkestoel. Keurig computergestuurd aangedreven. Op de hele uren slaat ie en dan gaan boven de deurtjes, net als bij een koekoeksklok , even open. Dan ietswat een middeleeuws kasteel geweest schijnt te zijn. Of deze imker, een gepensioneerd EU-ambtenaar. Hij had net een nieuwe koningin voor een van zijn kasten gekocht. Ze deed haar werk prima, overal waren volgens zijn zeggen larven te zien. Hij heeft de hele kast voor mij uitgeruimd. Maar ze was onvindbaar tussen al haar eveneens vrouwelijke werkbijen.
Onderweg naar Stubbekobing een aantal imposante bruggen die de Deense eilanden met elkaar
verbinden, tegengek
omen. In de haven lag een replica van een Kogge-schip uit Kiel. In de middeleeuwen was dit het vrachtschip dat op de Noord- en Oostzee rondvoer tussen bv.
de Hansesteden. Zondag eind van de middag is mijn familie aangekomen. Komende paar dagen gaan we tochtje maken in een beetje beschut water tussen Mon en Sjelland en veel vissen naar ik begrepen heb. Dus dat wordt smullen geblazen, iedere dag vis op het menu!
Maandag 26 juli 2010
Zou een storm op den duur moe worden…? Ik hoop het. Vrijdag legde ik aan in een klein haventje bij Ristinge om van daaruit wat graven te gaan bekijken. Mooi tochtje gemaakt op de fiets (even terzijde: Denemarken is wel overal hetzelfde, zacht glooiend, veel graan en lievige huisjes) en besloten er de nacht door te brengen. Had ik dat maar nooit gedaan. Het is die nacht gaan stormen en dat doet het nog steeds.
Op zich zou dat niet zo erg zijn. Ware het niet dat ik op de kop van een soort pier lig waarop de wind en de golven vrij spel hebben. Het verblijf aan boord moet
je een beetje voorstellen als een ritje op zo’n namaak rodeo-stier op de kermis. Maar dan niet even maar nu al dagenlang. De eerste nacht kon ik van het geschud en gebots tegen de kade bijna niet slapen. De tweede nacht ging het gelukkig wat beter. Je moet je er maar aan over geven en hopen dat alles het houdt. Gezegdes als aan lager wal terecht komen en de wind van voren (beter gezegd van opzij) krijgen, laten zich hier aan den lijve voelen. In bed luister je naar de wind. Klinkt als een straaljager: windkracht 6. Een brommend geluid: 7 of meer.
Een paar avonden eerder in Bagenkop (allebei gelegen op het eiland Langeland) was me iets soortgelijks overkomen. Met een tiental andere schepen lagen we in een stukje van de haven, waar net de zee naar binnen kon lopen. Mijn buurman waaraan ik vastlag, maakte me wakker om wat extra lijnen naar de wal uit te zetten. Ziende wat er om me heen nog meer gebeurde, besloot ik weg te varen naar een wat beschutter plekje. Later volgde iedereen want het was gewoon niet te doen. Nu zou
ik ook wel willen opkrassen. Maar dat gaat gewoon niet. Er staat te veel wind en er is geen enkele bewegingsruimte. Het afgebakende vaarwater is net zo breed als de boot lang is. Kom ik er even buiten, dan loop ik aan de grond. Dat bleek al bij aankomst. En daar schuilt ook de bron van de ellende.
Toen was ik al blij dat ik aan de kant kon komen. Helaas met de achterkant richting vaargeul. Had ik maar de moeite genomen toch even te keren. Maar dat is op zo’n moment moeilijk, omdat Jan en alleman je aan het helpen is en hun eigen ideeën hebben over wat het beste is. Het is dus gewoon afwachten tot de wind gaat liggen. Een geluk bij een ongeluk is de aanwezigheid van uitgestrekte ondieptes rondom. Stel dat niet zo was, dan had ik echt een probleem gehad omdat dan de golven veel hoger waren geweest. Maar ja, dan had ik waarschijnlijk ook makkelijker weg gekund.
Ondanks al dit getob, heb ik toch al weer een aardige collectie hunebedden (hier getooid met namen als jettestue
n = ronde dolmen of langdyssen = langgerekte dolmen) (dolmen = ‘hunebed’ bedolven onder een berg aard, vaak rondom afgezet met opstaande stenen) verzameld. Enkele foto’s ga ik opsturen naar de site http://www.megalithic.co.uk; staan daar alleen vermeld maar zonder afbeelding. Het leven aan boord kan overigens ook heel zonovergoten zijn.
P.S. Bericht kunnen plaatsen omdat in de loop van maandagmorgen de wind wat is gaan liggen. Ik ben nu in Rudkøbing.
Maandag 19 juli 2010
Aangekomen in Denemarken! Het ging wat langzamer dan ik had gedacht. Allerlei waarschuwingen voor slecht weer weerhielden me om op pad te gaan. Echt verwaaid heb ik niet gelegen want de aangekondigde
stormen hielden elders huis. Zo kon ik pas dinsdag het laatste stukje Kieler kanaal afmaken. Via de sluis bij Holtenau terecht gekomen in Laboe. Een soort Katwijk, maar dan met betaald strandbezoek. Twee euro per dag voor een stukje strand en pootje baaien. Even buiten het dorpje staat een opmerkelijke gedenknaald van meer dan 70 meter hoog. Je kan er van alles in zien, schijnt. Van zeilschip tot een Jacobs-ladder naar de hemel. De bedoeling ervan wa
s de slachtoffers van de toen nog keizerlijke marine uit de eerste wereldoorlog te (ver)eren. Uiteindelijk ging Hitler ermee aan de haal. Het monument heeft de tweede wereldoorlog overleefd en staat nu voor alle zeelieden van alle landen ter wereld. Een nogal geforceerde move want het is zo oer-Duits van binnen. De keuze om
er een van weinige intact overgebleven U-boot voor te leggen, is evenmin de meest gelukkige. Een beetje overmoedig ben ik via de trap naar boven geklommen. Voor iemand met hoogtevrees geen aanrader. Naar mate ik hoger kwam, keek ik in een steeds dieper wordend gapend gat naast me. In een woord: afschuwelijk. Vanuit Laboe naar Maasholm aan de Schlei gezeild. De Oostzee heeft wat verradelijks. Je vaart ’s ochtends met een lekker briesje uit en naar mate de dag vordert, begint het steeds harder te waaien. Pas later -na achten- in de avond blakt het weer uit. De wind loopt dan op tot 5 xe0 6 Beaufort, met uitschieters naar 7.
Het wordt dan wel echt zeilen. En volgens mij vindt het schip het ook wel leuk. Rond de Schlei had ik wat hunebedden getraceerd. Vandaar de tussenstop. Omdat ik voor anker lag met m’n rubberbootje naar de kant gevaren. Fiets opgevouwen voorin. Bij een steigertje aangelegd en op zoek gegaan. Urenlang rondgefietst. Uiteindelijk de plek gevonden maar er niet bij kunnen komen. Een beetje vervelende mensen; ze deden net of ik gek was, d’r zou helemaal niks zijn en gaven me geen toestemming over hun land te lopen.
Na 3 weken begint het leven aan boord een zekere routine te krijgen. Zocht ik me eerst blind naar waar ik spullen had opgeborgen, inmiddels heb ik wat meer overzicht. D’r zijn zoveel laatjes en kastjes. Nog afgezien wat onder banken en onder de vloer opgeslagen ligt. Een andere goed gebruik is bij het opstaan en tegen de avond een duik in het zilte nat te nemen. Verder zijn er iedere dag wel klusjes te doen. Het scharnier van een luik vastzetten of een stekker repareren. Even leek de stuurautomaat het te begeven. Onderweg deed ie ineens niet meer. De stroomvoorziening nagekeken, nieuwe zekeringen gekocht, de hydraulische olie bijgevuld (was achteraf niet nodig, maar goed ook want anders was er iets mis geweest met de hele besturing…). Stond op het punt de regelkast uit te bouwen, probeer toch nog even of ie doet. En zowaar, alles is weer in orde.
Al met al blijft er genoeg tijd over om een boekje te lezen. Een paar keer heb ik een film op DVD bekeken. Overal waar ik kom, probeer ik mijn wonderantenne uit. Normaal heb je met je computer een draadloos bereik van enkele tientallen meters. Met dit ding lukt het me kontakt te leggen met internet op honderden meters afstand. Zo gaat nu ook dit bericht de wereld in terwijl ik gewoon voor anker lig in een baai, met in de verte Horuphav (vlak bij Sonderborg, beide met een schuin streepje door de eerste o).
Maandag 12 juli 2010
De mensen hier in Schleswig-Holstein nemen hun weerbericht serieus. Zondagmorgen vertrokken ineens alle gasten, die gisteravond nog gezellig met elkaar de hele dag bier hebben zitten drinken en toch wel een beetje stilletjes naar de wedstrijd Duitsland-Uruguay keken. Ze hadden gelijk, een paar uur later begon het wat te regenen. Eindelijk… verkoeling! Maar wie weet hoe ver zij nog moesten over dat schier oneindige
-wat wij noemen- Kieler kanaal (officieel het Nord-Ostsee Kanal, vroeger het Kaiser Wilhelm I Kanal). Sinds een paar dagen lig ik in een
piepklein jachthaventje in een soort zijtak van het kanaal. Eigenlijk is het meer een meertje met een verbinding naar het kanaal. Het is te heet om te varen! De hele dag in de verzengende zon zitten, is een beetje te veel van het goede. Over de kuip heb ik een tent gespannen en om het uur houd ik het dek nat. Anders is het gewoon niet te doen. Het wordt dan binnen een broedstoof en buiten verbrandt je je poten. Het grootste deel -zo’n 70 van de 100 km- heb ik erop zitten. Donderdagochtend was ik al vroeg uit de veren om vanaf Cuxhaven 2 en half uur lang de stroom op de Elbe mee te hebben naar Brunsbüttel, waar het kanaal begint/eindigt. Gelukkig zitten er in het kanaal veel rechte stukken, zodat ik gebruik kan maken van de stuurautomaat. Anders sta je noodgedwongen uren en uren aan het roer. Om een idee te geven: 70 km varen
met een snelheid van 5 knopen (harder kan wel maar is dat wel goed voor het bejaarde motortje?) duurt toch gauw
wel een uur of 7. Samen met de toerit, ben je zomaar 12 uur in touw, inclusief schutten e.d. De dag ervoor was ook al een uitputtingsslag. De hele dag van 10.30 tot 21.30 uur bij gebrek aan wind op de motor langs de Duits wadden gevaren vanuit het eiland Norderney. De dag ervoor waren van hetzelfde laken en pak. Maandag van Leeuwarden naar Dokkum gemotord. Dinsdag vervolgd naar Zoutkamp. Pas woensdag weer een keer kunnen zeilen, naar Norderney dus. Overigens geen erg prettige tocht; met de wind achterop heb ik wat afgeslingerd. Daar kan het piratenschip op de Efteling niet tegenop.
Ik had daarom ook wel een beetje behoefte aan rust. En dat heb ik gevonden nabij Rendsburg. Het enige stadje aan het kanaal, beroemd om haar zweefveer. Maar er is meer te zien. Zoals Nord Art waar 245 artiesten uit niet minder dan 55 landen hun werk tonen.
Maandag 5 juli 2010
Het is allemaal wat anders gelopen dan waarmee ik driekwart jaar geleden mijn reis door zuid Engeland besloot. De caravan heeft een jaartje rust gekregen. In de plaats daarvan is een zeilboot gekomen. Aanvankelijk niet eens met de bedoeling om ermee op stap te gaan. Eerder als een soort alternatief woonhuis. Lekker klein en overzichtelijk. Iets waaraan je snel went als je rondtrekt.De afgelopen winter maakte echter snel een eind aan dit romantische idee. Dan is een echt huis met een lekkere kachel toch wel heel aangenaam.
Uiteindelijk werd de boot een soort werkverschaffingsproject. De hele winter, tot een paar weken geleden, ben ik er bijna dag in dag uit mee bezig geweest. Mensen die kwamen kijken, zijn zich doodgeschrokken. Zou dat nog goed komen. Heel de binnenboel – plafonds, vloeren en kastjes – was losgehaald. Toen ik het vierdehands kocht was het al een prachtig schip. Nu is het voorzien van allerhande snufjes en geschikt om de zeeën mee te bevaren. En de eerste indrukken zijn fantastisch! Na een paar proeftochtjes ben ik sinds een week op weg naar Denemarken en Zweden. Ik weet wel dat deze voorbije week met prachtig weer, niet exemplarisch zal zijn voor de hele tocht. Maar windkracht 5 of
6 is geen enkel probleem. Bij rotweer vaar ik gewoon niet uit. Een dag meer of minder maakt toch niets uit.
Zaterdag 26 juni gooide ik om iets voor twaalven de trossen los. De voorzitter van jachtclub Schiedam met zijn vrouw waren in de ochtend al langs geweest om me een afscheidspresentje te bezorgen.
Een fles champagne om de reis ten doop te houden. Uitgezwaaid door leden van leden van de club draaide ik de Nieuwe Waterweg op, richting zee. Met als eerste bestemming IJmuiden, waar ik ’s avonds om 9 uur aanlegde achter de sluizen. Bijna de hele reis had ik stroom mee (geen toeval hoor…) en het was prachtig weer. Het enige minpunt was de matige wind pal op de kop, zodat ik alsmaar op de motor moest varen. Het nut van de stuurautomaat bewees zich direct al ten volle. Want 9 uur op je eentje aan het roer staan, is natuurlijk niet te doen.
Zondag doorgetuft naar Amsterdam en een bezoekje gebracht aan het Allard Pierson museum. Er zijn op het moment 2 kleine tentoonstellinkjes, resp. over de muur van Hadrianus en scheepvaart in de oudheid onder de noemer Sail Rome. De nacht voor anker doorgebracht in het buiten-IJ(?) tegenover Durgerdam.
De volgende dag blijven liggen. Het was veel te warm om in actie te komen. De romp van de boot gepoetst. Wat rondjes er om heen gezwommen en het rubberbootje opgeblazen. Dinsdag toch maar verder gegaan. Er schijnt geen eind aan het mooie weer te komen. Via Lelystad naar Enkhuizen.
In Lelystad Nederlands centrum voor scheepsarcheologie bezocht. Ik kreeg niet indruk dat het overlopen wordt, terwijl het vlak naast de Batavia-werf ligt. Er wordt druk gewerkt aan de conservering van een Romeins binnenvaartschip dat een paar geleden in Leidsche Rijn is opgegraven. In Amsterdam voer een replica ervan rond. De woensdag besteed aan lange wandelingen door Enkhuizen
om de leverancier van een antenne te vinden. Dat ding had ik aangeschaft om internetaansluitingen op grote afstand te kunnen benaderen, maar kreeg het niet aan de praat. Het probleem bleek simpel oplosbaar. Het werkt nu en al een paar keer ben ik bij iemand ‘binnengeslopen’ die z’n draadloze router niet voorzien heeft van een wachtwoord. Ook de donderdag is opgegaan aan geshop.
De volgende dag in een ruk naar Harlingen gezeild. Vandaar doorgevaren naar Franeker en nu aangekomen in Leeuwarden. De stad waar ik 3 jaar op kostschool heb gezeten.
Alle oude plekjes afgefietst. Bijna niets is meer terug te vinden. Het internaat bestaat niet meer, is omgebouwd tot studentenkamers. Het enige wat het zelfde was gebleven, was koffieshop Sybs. De stad oogt overigens heel wat florissanter dan destijds. In Franeker vanzelfsprekend het oudste, nog werkende planetarium van de wereld bezichtigd. Rond 
1780 bouwde Eise Eisinga dit apparaat in het plafond van zijn woonkamer waar de familie ook sliep en kookte, geloof ik. Hij wilde ermee allerlei wilde verhalen over het einde der tijden door botsingen tussen planeten bestrijden. De wondere kracht van de
rede bleek toen ook al niet aan iedereen besteed.
Verder in Franeker een hele ochtend doorgebracht op de heilige grond van de PC. Een begrip in Friesland. Hier worden wereldkampioenen kaatsen geboren. Vandaag was het de beurt aan de jeugd. Veel talenten in de dop gezien. De regels van het spel zijn me nog steeds niet helemaal duidelijk. De puntentelling lijkt heel erg op die bij het ‘kazen’ rollen in Engeland. En dat spelletje kon ik wel volgen.
Zondag 6 september 2009
Hè hè, eindelijk even tijd om mijn rondje Engeland/Wales af te ronden. Al vorige week thuis gekomen. Toen even snel mijn huis op orde gebracht. Om vervolgens weer af te reizen naar Zeeland voor het nazomerfestival. Dat zit er nu ook op. Een paar leuke voorstellingen gezien. Met als grote uitschieter de voordracht van de poëtische vertelling Onder het Melkwoud (oorspronkelijk een hoorspel van Dylan Thomas) door Jan Decleir en Koen de Sutter. Het was meer dan 2 uur kou lijden in de storm aan de oever van de Oosterschelde maar het was meer dan de moeite/ontbering waard! (Zie ook http://www.klara.be/cm/klara/2.1242/1.83138-jan-decleir-keert-terug-naar-eerste-liefde) Het verhaal gaat over hoe zo’n 60 personen uit een klein dorpje in Wales zo maar een lentedag beleven. Als iemand de vertaling door Hugo Claus uit 1957 (!) heeft, dan houd ik me aanbevolen. Binnenkort (van 26 januari tot 28 februari 2010) staat het stuk ook op de speellijst van Bonheur in Rotterdam.
Mijn vertrek uit Engeland verliep nogal hals over kop. Omdat ik via internet een verkeerd kaartje had
gekocht, was ik ‘s-morgens vroeg naar Dover gereden om een en ander recht te zetten opdat ik ‘s-middags de boot niet zou missen. Dat bleek geen enkel probleem. Beter nog, ik kon met de eerstvolgende boot al mee. Gelijk gedaan,met een beetje pijn in het hart. Want voor de derde keer liet ik de kans voo
rbij gaan om de Romeinse vuurtoren in Dover te bezoeken. Maar ik had het een beetje gehad met Engeland. Dat merkte ik helemaal toen ik weer voet aan wal zette op het continent. Wat een ruimte, wat een uitzicht (geen metershoge heggen pas langs de weg!), wat een mooie, brede wegen en bovenal geen woud van bordjes met vermaningen. Als je denkt dat we hier overgereguleerd zijn, dan raad ik aan het Verenigd Koninkrijk te bezoeken. Tot op de WC word je daar achtervolgd met aanwijzingen.
<!– @page { margin: 2cm } P { margin-bottom: 0.21cm } –>

Delaatste week in Engeland toch nog redelijk wat gedaan. Maar liefst 3 Romeinse villa’s in resp. Rockbourne, Fishbourne en Bignor. De laatste 2
met prachtige mozaïekvloeren. In Portchester en Pevenseystaan van oorsprong Romeinse forten die door de loop van de eeuwen in gebruik zijn gebleven. Aan de hoofdstructuur is eigenlijk niks
veranderd. Tussen dit Romeins geweld door nog
uitstapjes gemaakt naar de steen- en ijzertijd. Te weten naar een hillfort bij Salisbury (Old Sarum) èn Stonehenge. Daar ben ik nu al een meerdere keren geweest, maar het blijft iets bijzonders. Dit keer meer oog gehadvoor de omgeving. Net als elders is zo’n heiligdom geen geïsoleerdfenomeen. Als je wat beter rondkijkt, zie je dat het onderdeel uitmaakt van een heel complex aan dolmen, geheimzinnige kilomet
erslange dijken, stonerows en stonecircle’s. Opmerkelijk is dat een deel van de enorme stenen 2/3000 jaar vóór Chr. helemaal uit Wales zijn weggesleept, honderden kilometers noordwestelijker. Vlakbij Sto
nehenge staat ook nog een woodhenge. Een ronde houten tempel waarvan alleen de paalgaten in de grond zijn teruggevonden. (Er is nogveel meer; gexefnteresseerden verwijs ik graag naar:http://www.english-heritage.org.uk/stonehengeinteractivemap/index.html)
Enzo is er een eind gekomen aan mijn reis door Engeland en Wales. Dit keer zonder brokken te maken. En met veel beter weer. De komende maanden verblijf ik in Schiedam. De volgende bestemming is Italië.In grote lijnen weet ik al wat ik ga doen: via Frankrijk naar Genua, daar met de boot naar Sardinië. Om vervolgens over te steken naar Napels en dan de laarsvoet in te rijden naar Sicilië. Lees het vervolg vanaf medio februari 2010, bij leven en welzijn. Intussen heb ik alle tijd mijn elektrische fiets uit te proberen.
Maandag 17 augustus 2009
<!– @page { margin: 2cm } P { margin-bottom: 0.21cm } –>
Waarben ik
? Rechts van m
e, door het raam zie ik de zon ter kimme neigen. Via de deur kijk ik uit op een immens hillcastle. En achter me kleurt de steen geworden droom van de
Engelse prins Charles langzaam rood. Dat is Dorchester, voormalige Romeinse stad Durnovaria!
Sinds woensdag ben ik weer on the move. Ik maak nu wat grotere stappen en waar ik stop, blijf ik een paar dagen om van daaruit zonder caravaner met de auto of fiets op uit te trekken. Op deze manier vermijd ik een urenlang gepriegel met mijn verhuis-combinatie over binnenwegen die vaak niet breder zijn dan de auto zelf. Het is me nu wel duidelijk waarom Engelsen zo geduldig zijn. Je moet elkaar wel de ruimte geven en gunnen om elkaar te kunnen passeren. Alhoewel, soms zie je ze denken wat doet die buitenlander hier met zo’n gevaarte.
Van Pensanze ben ik naar Minions gegaan, net op de rand van Bodmin Moor. Een gehucht met 10 huizen en paar kroegen. Midden in een, zo op het eerste gezicht een leeg en verlaten landschap waar schapen
en ‘wilde’ koeien en paarden het voor het zeggen hebben en de zaak kaal vreten. Begin 1900 was het hier echter booming bussiness. Toen kropen er duizenden mensen als mollen door de grond om allerhande metalen uit de bodem te peuren. De vreugde was maar van korte duur; al snel warende mijnen uitgeput. Wat resteert zijn verlaten ketelhuizen waar stoom gemaakt werd om de waterpompen en de lieren van de mijnliften draaiende
te houden. Cornwall staat er ook vol mee. En verder mijnschachten en inmiddels weer overgroeide puinheuvels. Het moor is nu dus leeg en verlaten. En afgezien van de hausse in de 19deeeuw is dat duizenden jaren het geval geweest. Maar in de steen- en bronstijd moet het ook een levendige boel zijn geweest. Overal zijn sporen van bewoning te vinden. Resten van akkertjes, huizen en versterkte dorpen gelardeerd met dolmen, 
stonerows en -circles en al dan niet van een kruis voorziene menhirs. Ik heb er wat afgelopen en gefietst. Gelukkig vond ik onderweg in die woestenij een verlaten steengroeve, die vol gelopen was en waar je heerlijk kon zwemmen. (Hetgat in de deksteen van de quoit heeft geen mythische betekenis; is redelijk recent, is aangebracht om een vlaggemast te plaatsen…)
Omdat één moor me wel genoeg leek, heb ik Dartmoor gelaten voor wat het is. Een tussenstop gemaakt in Exeter. Op de heenweg had ik daar op de parkeerplaats van een superstore de nacht doorgebracht. Nu weer, in combinatie me m’n laatste, tweewekelijkse kookklus. Alle ingrediënten bij de hand.
Het is echt aftellen geblazen. Voor de 25ste heb ik een kaartje gekocht voor de overtocht met de boot. Kan ik eindelijk mijn elektrische fiets gaan ophalen. Voor mijn reis had ik die besteld en afgelopen weken werd ik steeds gebeld met de boodschap dat ie klaar stond en wanneer ik nou een langs kwam.
Maar zover is het nog niet. Na Exeter aangeland in Dorchester. Stond op mijn lijstje vanwege het museum en het best bewaard gebleven Romeinse stadshuis. Maar er bleek veel meer te zien. Zoals Maiden castle, een hillfort ter grootte van 50 voetbalvelden. En niet ter vergeten de wijk Poundbury.
Ruim 20 jaar geleden deed zijne koninklijke hoogheid van zich spreken. Waarschijnlijk in de slipstream van wijlen Dianadie zich voor allerlei zaken inzette. Hij sprak zich toen regelmatig uit voor wat meer nostalgie. In de kunst en cultuur, maar ook bij de stadsontwikkeling. Ik herinner me die praatjes op TV nog wel. Dorchester heeft die
boodschap blijkbaar begrepen en de ruimte geboden aan de ontwikkeling van een heel nieuwe wijk volgens Charles’ concept. Sinds begin jaren 90 wordt er in fases gebouwd. Er schijnt voldoende belangstelling voor te zijn, want er liggen allerlei uitbreidingsplannen. Tja, wat is? Het is moeilijk te definiëren. Het is een mengeling van nieuwe, oude plattelands woningen en klassieke grote stad huizen.
Eigenlijk niet veel anders dan zoals de meeste dorpen en kleine steden er uitzien. D’r is in ieder geval één knelpunt afdoende en fraai opgelost. En dat is het parkeerprobleem.Maar dat maakt het gelijk een ontzettend dooie boel. Je ziet geen kip op straat. Iedereen rijdt als het ware met zijn auto zijn eigen huis binnen. Overal zijn wel winkels en bedrijfsruimten ingepland. Maar die staan bijna allemaal leeg, te huur. Dus dat deel aan dorpse gezelligheid, kleinschaligheid werkt blijkbaar niet. Ik heb geprobeerd met mensen te praten over wat ze ervan vinden. Dat is niet gelukt. Degenen, die ik aansprak, bleken net als ik toeschouwers te zijn.
Maandag 10 augustus 2009
Een uitstapje gemaakt naar de toekomst in Futureland Goonhilly. Ik was wel benieuwd naar wat ons nog te wachten staat. Nou niet veel dus. Het meest geavanceerde dat te zien was, was een DAP-radio (haalt signaal via WiFi van het internet; werkt dus net zo min als mijn Skype-telefoon omdat Engelsen hun draadloze ro
uter geloof ik verstoppen, want nergens heb je ontvangst) en de elektrische autoped, de Segway. De BT, de Engelse KPN, die al dit fraais organiseert tegen een vorstelijke vergoeding/entreeprijs, meende ook nog een boodschapte moeten meegeven. Namelijk dat de toekomst aan ons is en niet het werk is van één briljante geest of een ontdekking. Zo die zit. Aan het eind moest een vragenlijstje worden ingevuld op de computer,waarna de score van de dag verscheen. Dat zag er ook al niet best uit. De meeste bezoekers bleken zich nogal dom te vinden en hoopten op meer intelligentie (als genengerommel dat kon bewerkstelligen). Een aardiger mens wilde in ieder geval bijna niemand worden… Verder verwachten ze dat hun nazaten over 150 jaar op een andere planeet kunnen wonen, over 100 jaar gemiddeld 109 jaar oud worden en dat over 50 jaar geen auto’s meer op benzine rijden. Op Goonhilly staat de parabool waarmee de signalen van de eerste communicatiesatelliet uit 1962 werden opgevangen. Je kan het bijna niet meer voorstellen maar het enorme apparaat was nodig omdat het signaal van dat ruimteding nog zo ontzettend zwak was. Tegenwoordig heb je met een diep bord al ontvangst. Hij stond ook nog niet stil ten opzichte van de aarde maar draaide lustig z’n rondjes, zodat er maar 20 minuten ontvangst was waarna de sonde weer voor anderhalf uur achter de horizon verdween.
De magische kracht die ik de hamer toedichtte, was toch minder dan verwacht. De volgende dag deed zich weer hetzelfde euvel voor. Uiteindelijk maar 2 nieuwe accu’s gekocht en daarmee was het probleem echt uit de wereld.
Aan verplaatsen ben ik totaal niet toegekomen; ik sta nog steeds bij boer Iver. Dit
uiterste puntje van Cornwall is prachtig qua kusten. En als het weer dan meezit en dat deed het meer dan dat van de week, dan zijn de verlokkingen van het strand te groot. Toch nog wel het een het ander gezien. Alhoewel, ik begin er aardig doorheen te raken. Als nieuwigheidje had ik bedacht wat videofilms op te nemen en deze d.m.v. YouTube wereldkundig te maken. Het idee erachter was meer overzicht te kunnen geven, zoda
t het niveau van een
hoop losse stenen kon worden overstegen. Dat blijkt echter verre van
simpel. Je moet vooraf een soort scenario in je hoofd hebben, want anders kom je thuis met een hoop losse flitsen waarvan geen chocola te maken valt. En heb je dan een verhaal, dan is het uren werk op de computer om er een soort filmpje uit te krijgen. Het eerste baksel heb
ik geprobeerd op internet te zetten. Na een uur bij McDonald’s (mijn vaste internetcafé!) was nog niet de helft van het bestand ge-upload. Dat schiet dus niet op. Straks thuis ga ik eens nieuwe poging wagen. Voorshands blijft het dus maar bij fotootjes alleen.
Maandag 3 augustus 2009
Het is zondagavond. Hoe laat zal het zijn geweest, een uur of half negen. De eerste zin voor een nieuwe weblog staat net op ‘papier’: Jarig in Penzance in Cornwall. De punt is nog niet gezet of de elektriciteit valt uit. In de schemer op zoek naar de oorzaak. Eerst probeer je wat simpele dingen, zoals de zekeringen.
Maar als dat het niet blijkt te zijn, wordt het dieper graven in de dradenkluwe achter de meterkast. Uiteindelijk kom ik uit bij de accu’s. En opnieuw werkt een oud en probaat middel: de hamer. Vroeger met de Eendjes lag die altijd klaar. Was het niet de accu, dan had de startmotor wel een corrigerend tikje nodig. Door het natte weer oxideren de polen van de accu’s, waardoor de verbinding met de stroomdraden langzaam minder wordt. Bij grote vraag naar stroom – en dat was net het geval, kachel aan tegelijk met oplader accu computer – geeft dan de zaak ineens de geest. Na een kwartiertje deed alles het weer. Goed overigens dat ik eens wat beter keek naar de accu’s. Een ervan bleek bijna droog te staan. Dus ’s avonds nog op pad geweest om ergens
gedestilleerd water te kopen. Van mijn buurman, een gescheiden vijftiger die al een jaar hier bivakkeert, krijg ik later een borsteltje om de polen te kunnen ontroesten. Hij (her)kent het probleem in dit soort oorden. Vanmorgen alles uit elkaar gehaald en schoongemaakt.
Bij het wakker worden trof ik weer eens een heel nieuwe weertype aan, dat ik nog nooit eerder heb meegemaakt: storm en mist. Bij ons is het een of het ander, maar niet allebei tegelijk. Dat wordt met
andere woorden een dagje lekker binnen zitten. Afgelopen paar dagen waren redelijk, zoals ze dat hier noemen: sunny spells. Prima weer om hillforten te beklimmen en er met de fiets op uit te trekken .Fantastisch leuke dingen gezien. Begin van de week dacht ik dat het weer de kant van vorig jaar opging. Twee dagen met onafgebroken regen. Je moet voor hobby wat over hebben…

Zoals voorspeld is aan het vrij leventje van wild kamperen een eind gekomen. Met heel veel moeite zou nog wel ergens een plekje te vinden zijn. Maar het loont eigenlijk ook niet meer. Voor 5 of 6 pond per nacht kan je bij een boer op het weiland staan, met gebruik van WC, water e.d. Dat is nog te doen. Tenminste als je de enorme puinhoop waarin 
je terecht komt, voor lief neemt. Wat kunnen boeren een rotzooi op hun erf achterlaten. Overal staan machines en voorraden die zo te zien al jaren niet meer zijn gebruikt, maar ook niet worden opgeruimd. Om over de opstallen en de modder maar niet te spreken.Toch heeft het wel wat zo te midden van nieuwsgierige koeien. Met boer Iver Phillips breng ik deze heuglijke dag door. Hij is iets jonger maar het klimaat en het werk hebben hun sporen achtergelaten. Wie weet voegt zich vanavond mijn buurman daarbij. Dat moet een feest worden!
De plek waar ik verblijf, is ideaal. Midden op de landengte naar Land’s End. Met rondom me heen o
veral
resten uit de steen, brons- en ijzertijd. De overeenkomsten met wat ik in Spanje en Portugal heb gezien, is heel opmerkelijk. Met name wat betreft de woonvormen. Plaatjes van destijds kunnen zo hier genomen zijn. Duizenden jaren voor Chr. moet er op grote schaal al gereisd zijn langs en over de Atlantische oceaan.

Elke keer – ik blijf het herhalen – is het een uitdaging om iets wat op kaart staat, ook echt te vinden. De vrouw in het bezoekerscentrum bij het ijzertijddorp Chysauster vertelde dat het haar nog nooit gelukt was Zennor quoit te vinden. Dat was inderdaad niet simpel. Diep verscholen in een soortheidelandschap, ver van de bewoonde wereld. Eerst een half uur gefietst naar waar vermoedelijk een pad zou zijn richting graftombe. Na veel wikken en wegen er een op goed geluk uitgekozen. Vervolgens zo’n drie kwartier over kletsnatte, smalle, al weer bijna dichtgegroeide paadjes gebanjerd. En daar sta je dan. Voorkomende paar dagen is er nog voldoende te zien. Daarna verkas ik een beetje zuidoostelijker richting Helston.